Intussen in Dordt (3)

Intussen in Dordt (3)

Op dinsdag 13 november 1618, deze maand vier eeuwen geleden, opende de Dordtse predikant Balthasar Lydius in de Grote Kerk van zijn stad met gebed de kerkdienst die voorafging aan de vergadering die de geschiedenis zou ingaan als de Nationale Synode van Dordrecht. Lydius, opgeleid in Franeker en Leiden, was al sinds 1602 stadspredikant van Dordrecht. Volgens zijn tijdgenoten wist hij zijn gehoor regelmatig in tranen te laten uitbarsten. Het verslag van de Synode vermeldt niet of dat ook gebeurde bij zijn gebed op 13 november.

In elk geval hadden de rekkelijke theologen weinig te lachen bij die openingszitting. Voor zover zij al aanwezig waren: alleen de provinciale synode van Utrecht had enkele remonstrantse predikanten afgevaardigd. Voorafgaand aan de opening van de Synode was er dusdanig gelobbyd dat vrijwel alle aanwezigen vertegenwoordigers waren van het strikte calvinisme.

Dat gold ook voor Lydius. Hij had aanvankelijk in Dordrecht kennelijk enige sympathie getoond voor het rekkelijke standpunt van de remonstranten, maar dat leidde tot allerlei verwijten en verdachtmakingen, en om die te ontzenuwen ontwikkelde Lydius zich tot een van de felste tegenstanders van het remonstrantse standpunt.

Vergaderen bij de schutters

Als de plaatselijke herder mocht Lydius het openingsgebed verrichten in de Grote Kerk. Ook hield hij de openingstoespraak tijdens de eerste zitting van de Synode, en wel in het Latijn, met het oog op de buitenlandse gasten. Die zitting was niet in de Grote Kerk, maar in de grootste vergaderlocatie van Dordrecht: de Kloveniersdoelen. Dat was het verenigingslokaal van het schuttersgilde van de kloveniers: de schutters die met musketgeweren of klovers (afgeleid van het Franse couleuvrine) schoten. De keuze voor dit gebouw had een heel praktische achtergrond: het was gemakkelijker warm te stoken dan een kerk. Het gebouw lag op de hoek van de Stek en de Doelstraat. Het werd in 1857 afgebroken om plaats te maken voor een gevangenis (die er inmiddels ook al niet meer is). In de Grote Kerk van Dordrecht is wel een maquette van de Kloveniersdoelen te bewonderen en in de Doelstraat herinnert een plaquette aan het gebouw. In maar liefst 180 sessies vergaderden daar tot mei 1619 ruim honderd afgevaardigden: 37 predikanten, 19 ouderlingen, 18 vertegenwoordigers van de gewesten, vijf theologieprofessoren en 23 buitenlandse vertegenwoordigers.

‘Weest niet al te rechtvaardig’

De openingspreek van de Synode werd gehouden door de voorzitter: de Friese predikant Johannes Bogerman. Ook van die preek zullen de rekkelijke theologen niet blij geworden zijn. Hij ging namelijk over de woorden van Prediker 7,16: ‘Weest niet al te rechtvaardig.’ De toon was gezet. Bogerman had enkele jaren vóór Lydius in Franeker gestudeerd en daarna een indrukwekkende academische rondreis gemaakt langs de universiteiten van Heidelberg, Genève, Zürich, Lausanne, Oxford en Cambridge. Zo reislustig als hij als student was geweest, zo gehecht bleef hij in zijn predikantenloopbaan aan (West- en Oost-)Friesland. Hij was predikant in Sneek, Enkhuizen en Leeuwarden, zijn standplaats ten tijde van de Synode. In Friesland ontpopte hij zich al spoedig als een vertegenwoordiger van een steil calvinisme. In discussie met de doopsgezinden verdedigde hij het recht en zelfs de plicht van de

overheid om ketters te vervolgen. Samen met andere Friese predikanten bestreed hij de Leidse opvolger van Arminius, Conrad Vorstius, en ook Hugo de Groot. Door de steun van de Friese stadhouder Willem Lodewijk, daartoe aangemoedigd door prins Maurits, kreeg Bogerman een steeds sterkere positie in de Friese kerk. Zo werd hij eerst scriba en vervolgens een reeks van jaren voorzitter van de provinciale synode van Friesland. Het verwonderde dan ook niemand dat Bogerman afgevaardigde van Friesland zou zijn naar de Synode.

De loopbanen van Lydius en Bogerman maken duidelijk wat er in de aanloop naar de Synode gebeurde: er werd gezorgd dat vertegenwoordigers van het strikte calvinisme leidinggevende posities kregen in de regionale kerkverbanden. Zij zouden uiteindelijk die verbanden vertegenwoordigen in de Nationale Synode van Dordrecht. Zo stond de afloop van de Synode eigenlijk al bij voorbaat vast. Voor de rekkelijken was het een verloren zaak. Hun pleidooi voor een verdraagzame en pluriforme kerk maakte geen enkele kans. Integendeel, zij bevonden zich vanaf het begin van de Synode in de positie van de beklaagden: zij moesten zich voor hun ketterse standpunt komen verantwoorden. De Synode van Dordrecht werd door hen niet werkelijk beleefd als een Nationale Synode in de brede betekenis van dat woord. Zij zagen haar als een coup van de ‘preciezen’, een onderneming van de strikte calvinisten met het doel de vaderlandse kerk over te nemen en haar een gereformeerde belijdenis op te leggen.

De belangen van de prins

Deze coup kon slagen dankzij de politieke steun van prins Maurits. Die steun had voor Maurits minder te maken met zijn sympathie voor een bepaalde theologische positie. Nee, zij draaide om een politieke kwestie die in de jonge Republiek voor grote verdeeldheid zorgde: de vraag hoe het conflict met Spanje, dat wij de Tachtigjarige Oorlog zijn gaan noemen, beslecht moest worden. In 1609 was een wapenstilstand met Spanje gesloten, die uiteindelijk tot 1621 zou duren: het Twaalfjarig Bestand. Er was een partij die van mening was dat de oorlog met militair geweld moest worden beëindigd. De andere partij was van mening dat er langs diplomatieke weg tot een blijvende vrede gekomen moest worden. Prins Maurits was voorstander van het eerste: hij wilde als veldheer triomferen. De meeste remonstranten stonden achter de vreedzame en diplomatieke oplossing. Hun belangrijkste vertegenwoordiger was de staatsman Johan van Oldenbarnevelt, sinds 1586 raadpensionaris van de Staten van Holland. Hij wordt wel gezien als de architect van de jonge Republiek. Hij was groot voorstander van verdraagzaamheid, ook om een simpele reden: het was goed voor de handel en voor de economie. Om diezelfde reden had hij het Twaalfjarig Bestand tot stand gebracht: de oorlog met Spanje kostte handenvol geld en was slecht voor de handel. Prins Maurits en zijn Friese collega-stadhouder Willem Lodewijk zagen dat met lede ogen aan. Zij waren veldheren en wilden oorlog voeren.

Prins Maurits koos nu onomwonden partij voor de contraremonstranten. Hij ging demonstratief ter kerke in de Kloosterkerk in Den Haag, waar juist Johannes Bogerman, met steun van de prins, gedurende enkele maanden voorging in de diensten. Dat was een publiek statement van de vorst. In verschillende steden werden de remonstrants-gezinde leden van het stadsbestuur vervangen door contraremonstranten. En als klap op de vuurpijl liet de prins op 29 augustus 1618, ruim twee maanden voor de opening van de Synode, Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en nog twee remonstrants-gezinde politici onder beschuldiging van hoogverraad arresteren en gevangen zetten.

Deze actie van prins Maurits lag als een doem over de Synode. De remonstranten verwachtten er weinig goeds van. In die verwachting werden zij niet bedrogen.

Peter Nissen
Remonstrants predikant in Oosterbeek en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen

Zie ook