Is euthanasie zedelijk verwerpelijk?
Foto: André Meiresonne

Is euthanasie zedelijk verwerpelijk?

Overwegingen van twee remonstrants theologen bij vragen rond levensbeëindiging

‘Is euthanasie zedelijk verwerpelijk?’ Onder die prachtige titel verschijnt in 1953 een artikel van Lambertus Jacobus van Holk, remonstrants theoloog en hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek in Leiden (1931-1964). Het artikel is gepubliceerd in Moreel Beraad. Een bundel zedekundige opstellen in twee delen van de hand van Van Holk. Een berichtje in de Nieuwe Rotterdamse Courant vormde de aanleiding voor het schrijven: een arts heeft zijn broer, op diens herhaald en uitdrukkelijk verzoek, helpen sterven en zo verlost uit zijn ‘ondragelijk lijden’. Dat heeft de arts vervolgens gemeld aan de politie. Het is tot een rechtszaak gekomen en de arts heeft een straf opgelegd gekregen. Van Holk is het met dat oordeel niet eens – hij vindt de straf te zwaar − en in dit artikel presenteert hij zijn argumenten, waarbij hij het ‘zedelijk oordeel’ plaatst tegenover het ‘juridische’.

Van Holk vat het dilemma waarin de arts zich bevond als volgt samen: ‘(…) het leven verdedigen t.o.v. het stillen van ondragelijke pijn.’ Hij stelt de vraag naar ‘onduldbaar lijden’, naar ‘zinneloos lijden’ en naar de ‘lijdensprijs’. Hij betwijfelt of de mogelijkheid tot levensverlenging wel altijd ‘een zegen’ is. Die kwestie heeft een economische kant: ‘een lange werkloze levensavond’ moet door jonge mensen gedragen worden. Het heeft ook een pastorale kant: ‘verschemering van leven’, ‘de grote vereenzaming in die oudere levens’ en ‘het verwelken moeten’.

‘Wie niet dogmatisch bevangen is,’ stelt Van Holk, ‘wéét hoe voorzichtig men moet zijn met het leggen van een zin in andermans lijden.’ De vraag die hij heeft opgeworpen in de titel van zijn artikel beantwoordt Van Holk uiteindelijk dan ook ontkennend: euthanasie is niet zedelijk verwerpelijk, ook al is de rechter tot een ander oordeel gekomen. In zedelijk opzicht heeft de arts ‘moed’ getoond, ‘rechtvaardigheid’, ‘barmhartigheid’ en ‘bezonnenheid’: kwaliteiten waaraan je het zedelijk handelen kunt herkennen.

Het leven teruggeven

Het leven teruggeven Ruim dertig jaar later verschijnt een artikel van Herman Johan Heering, destijds opvolger van Van Holk in Leiden (1964-1978), in een bundel met lezingen die zijn gehouden op een conferentie in 1984 over euthanasie, zelfbeschikkingsrecht en medische zorg. De conferentie was georganiseerd door de Remonstrantse Broederschap. De titel van Heerings bijdrage luidt: ‘Het geloof in Christus en het verzoek te mogen sterven’. Heering is in zijn artikel in gesprek met Harry Kuitert, gereformeerd theoloog en hoogleraar ethiek en inleiding in de dogmatiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam (1967-1989). Van hem was in 1981 het boekje Een gewenste dood verschenen.

Heering begint met de opsomming van een aantal situaties waarin de vraag naar euthanasie zich kan voordoen: ‘ouderdom als aftakeling’; ‘de angstige zekerheid van uitzichtloos lijden’; psychisch lijden; omstandigheden die de aanleiding vormen, bijvoorbeeld het verlies van een geliefde of van werk en, tot slot, ‘moe maar dankbaar het leven willen teruggeven’.

Zelfbeschikking

Ik belicht wat Heering in zijn artikel zegt over zelfbeschikking. Hij stelt: ‘(…) zelfbeschikking past geheel in het christelijk geloof, maar dan niet als individualisme. Zij is nooit los te denken van verantwoordelijkheid.’ Kuitert geeft het volle pond aan zelfbeschikking, aldus Heering. Daarmee duidt Kuitert overigens op een gesteldheid die niet iets zegt over de mens ten overstaan van God, maar over mensen ten overstaan van elkaar: wij kunnen elkaar de maat niet nemen. Dit standpunt onderschrijft Heering, maar hij plaatst er ook een paar kanttekeningen bij.

Op de eerste plaats benadrukt Heering dat ook de meest eenzame mens altijd nog anderen toebehoort: ‘Wie vrijwillig van het leven afstand doet kàn (hoeft niet) aan zijn omgeving een beetje levensmoed ontnemen; kan ook aan zijn omgeving het schuldgevoel bezorgen: wij hebben niet goed genoeg voor hem of haar gezorgd.’ Ook bepleit Heering om ruimte te laten voor ‘het mysterie van leven en dood’, zoals hij dat noemt. ‘Rustige redelijkheid’ is in de euthanasiediscussie weliswaar onontbeerlijk, maar daarmee is niet het laatste woord gezegd, zoals je ook over schoonheid niet het laatste woord kunt spreken.

Een derde kanttekening van Heering bij het grote belang dat wordt gehecht aan zelfbeschikking, is zijn constatering dat ‘het kunnen ontvangen’ langzaam maar zeker uit onze samenleving aan het verdwijnen is. Verantwoordelijkheid, als trouwe metgezel van zelfbeschikking, is wezenlijk maar zegt niet alles. Willen we nog wel ‘aanvaarden’, ‘dulden’, ‘leven met wie voor zichzelf niet (meer) zorgen kunnen’?, vraagt Heering zich, retorisch, af.

Vrijzinnig geluid

De Remonstrantse Broederschap is volop in gesprek over voltooid leven. Een dergelijk gesprek voeren binnen het verband van deze geloofsgemeenschap roept onwillekeurig de vraag op wat de inbreng van een niet-dogmatische theologie kan zijn. In Van Holk en Heering heb ik twee vertolkers van een vrijzinnig geluid gevonden. En ook al stammen hun publicaties uit de vorige eeuw, bij het lezen ervan was ik getroffen door de actualiteit van hun denken. Categorieën waarover vandaag de dag de meest felle discussie wordt gevoerd, waren bij hen al in het vizier: een stapeling van ouderdomsklachten; uitzichtloos lijden; psychisch lijden en voltooid leven. Ik beschouw hun overwegingen dan ook als een zinvolle bijdrage aan het zoeken, bij vragen rond levensbeëindiging, naar een verstandig midden tussen twee uitersten: aan de ene kant van het spectrum staan autonomie en zelfbeschikking; aan de andere kant staan relationaliteit en verantwoordelijkheid.

Annemarieke van der Woude
predikant in de remonstrantse gemeente Oosterbeek

Zie ook