Lezers over ‘God eren en dienen’

Lezers over ‘God eren en dienen’

Een God in het diepst van mijn gedachten

Godzijdank zat ik tegen mijn zin op het Christelijk Lyceum. Meneer Petter was daar niet alleen leraar Nederlands, maar ook leraar Godsdienst. Een boeiende combi. Bij de Tachtigers aangekomen krijtte hij in grote witte letters ‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’ op het zwarte schoolbord. Het volgende uur ging er een krachtig kruis door. Een godslasterlijke tekst van die Willem Kloos! Inmiddels behoort die notie van God in mijn geloof tot de hoogst denkbare lof en prijs. Daar ging wel wat aan vooraf.

Rond mijn twintigste zei ik het geloof vaarwel. De vriendelijke mevrouw van de Gereformeerde Kerk, ik zie haar nog op de stoep staan van mijn studentenhuis. Ze kwam ongevraagd op huisbezoek en kreeg botweg te horen dat ik niets meer van de kerk hoefde. Zo teleurgesteld als ze keek, zo verdrietig ook. Misschien was ik al de zoveelste, het waren per slot de jaren ’70.

Ik maakte een reis zoals wel meer die maken. Hedonistisch in mijn twintiger jaren, materialistisch in mijn dertiger jaren. En daar was Doe Maar, ‘Is dit alles, oehoehoehoeh, is dit alles, wat er is?!’  Er moest toch meer zijn dan een hoop lol hebben en ondertussen veel geld verdienen? Mediteren, cursussen, ik zocht me suf, in dit leven en vorige levens – en het enige wat ik vond was nog meer geld en nog meer succes.

Maar gelukkiger werd ik er niet van. Integendeel. En dat hielp. Verveling en chagrijn als medicijn. Daar moest wel een psychiater aan te pas komen. M’n creativiteit zat verstopt. Mijn spelende kind was kwijt. Ik bleek te kunnen schrijven, toen ik het mezelf toestond. Spreken, toen ik het durfde. Maar het bleef zoeken, en ik wist niet waarnaar. En dan kun je lang zoeken.

Tot alles op was. Dat hielp. Dat gun je iedereen. Alle houvast kwijt. Alle buitenkant ook. Wat kun je daarvan opknappen. Tenminste, ik wel. Want toen het geld op was en het succes voorbij, toen de relatie een illusie bleek en het leven uitzichtloos, kwam er eindelijk ruimte voor, ja wie? Mijzelf, wie ik diep van binnen ben. En uit mijn eigen diepte verrees, ja wat? Ik noem het God. Maar niet die uit de kerk van mijn jeugd. Mijn God laat zich niet in een hokje stoppen.

André Meiresonne, Den Haag

Andersdenkenden in hun waarde laten

In februari 2019 stond in Ad Rem een uitnodiging om in een opstel van  maximaal 200 woorden weer te geven, hoe men als lid van ons kerkgenootschap met de ooit ondertekende beginselverklaring omgaat. Ik zal kort uitleggen hoe ik dit ervoer, toen ik  mij kort na mijn afscheid van mijn werk als docent Duitse Taal- en Letterkunde in 2006 ging oriënteren op mijn verdere leven als gepensioneerde. Ooit had mijn zeer gewaardeerde docente Grieks mevrouw drs. H. Westerouen van Meeteren mij gevraagd: ‘En, Julius, hoe zit het met jouw remonstrantse achtergrond?’  Pas vele jaren later heb ik haar een passend antwoord kunnen geven dat ik haar toen, schuchter als ik was, schuldig moest blijven. Mijn ouders waren vrijzinnig,  buitenkerkelijk maar niet atheïstisch. Ik werd door mijn ouders zo opgevoed, dat ik als buitenkerkelijke andersdenkenden altijd in hun waarde moest laten met respect voor hun ideeën. Sinds 2014 ben ik  lid van de Remonstrantse Gemeente in Rotterdam. Ik sta nog steeds achter  de ideeën van mijn ouders en probeer die levenshouding in mijn dagelijkse leven in praktijk te brengen.

Julius Röntgen, Tinte

Andere bewustzijnsvormen

Waardoor maakt de remonstrantse beginselverklaring zo’n verouderde indruk, nog slechts zelden een onderwerp van actuele discussie? De werkwoorden eren en dienen verdwijnen uit modern taalgebruik dat geleidelijk aan uitdrukking geeft aan een meer democratisch levensgevoel. Eren en dienen, ook prijzen, loven en vele andere behoren tot de basiswoordenschat van het Oude Testament waarin een godheid voorkomt met sterk antropomorfe, zelfs machistische trekken.

Veel commentaren willen die oudtestamentische ruigheid aanpassen door denkinstrumenten als beeldspraak (metafoor) of symbool (“… dat moet je niet letterlijk nemen, joh!”). Maar nog onlangs hoorde ik iemand verzuchten dat hij ten aanzien van de Bijbel wel ongeveer aan het einde van zijn ‘metaforiserende rekbaarheid’ was.

Voor mij drukken de drie woorden een statische, vage verhouding tot de godheid uit, waarin noch een kern noch een voor remonstranten specifieke geloofshouding herkenbaar is. Kool en geit sparen mag de geschiedenis van het protestantisme kenmerken, voor mij is de invulling van een dynamische, doorleefde relatie met het goddelijke bij het klimmen der jaren een kernzaak geworden: niet alleen als denkproces en sociaal gedrag, maar meer en meer als verkenning en ontwikkeling van andere bewustzijnsvormen die in aanleg in de menselijke aard schuilen.

Anton Zoutewelle, Utrecht

Via de band

God zit in een oude pelgrimsschoen en in het ruisen van de zee, in een lieveheersbeestje en in de ander. In élk ander. Overal even ongrijpbaar. Daarom eerder G’d dan God. Slechts te eren en te dienen via de band. Via de band van de anderen en het andere. Met respect. En eerbied. Voor de verborgene, de vermoede, het vermoeden.

Sinds mensenheugenis leven mensen met dat vermoeden. Onderhouden zij dat vermoeden in verhalen, die zij delen. Met vieringen. Waarin zij, waarin wíj ons even los willen maken van al die dingen. Vanuit dat andere vermoeden, dat G’d ook in óns zou kunnen zijn, zou móeten zijn. Zal wórden. Blijvend onvindbaar, toch  aanwezig. In ons zingen en ontmoeten. In míjn zingen en ontmoeten. In vertellen en luisteren. Dienen en eren. Via de band.

En soms, soms wanneer we even niet ons best doen om te eren en te dienen, dan ook even anders. Genadiglijk anders. Anders dan de band. Maar, natuurlijk, nog steeds ongrijpbaar. Er is geen reden om te eren en te dienen. Er is geen maníer om te eren en te dienen. Er is eren en dienen. In vrijheid. Zelfgekozen en genadiglijk ontvangen vrijheid.

Bram Rutgers van der Loeff, Den Haag

Verticaal en horizontaal

Ieder enigszins vrijzinnig denkende kent wel de verlegenheid wanneer je poogt in concreter en wat aardser termen te omschrijven wat zich abstract zo gemakkelijk laat uitdrukken: God eren en dienen.

Verticaal. Wat betreft het eren van God had ik het langzamerhand wel een beetje onder de knie. Ik kan niet geloven in een persoonlijke god, maar wel deel ik met hen die dat wel doen de grote eerbied en dankbaarheid voor wat ons ver overstijgt, te weten de onverstoorbaarheid en totale betrouwbaarheid van de natuur, van het allerkleinste – de voor menselijke waarneming onbegrepen kwantumwereld – tot en met het allergrootste – het letterlijk onvoorstelbare heelal.

Horizontaal. Geconfronteerd met de dood en de daarbij horende indringende blik op dat alles merkte ik dat ik meer dan voorheen behoefte had om ‘er bij te horen’ en werd gastlid van de PKN en vriend van de Geertekerk. En de vraag van AdRem heeft me doen beseffen  dat dat een manifestatie is van het dienen van God. Dat is namelijk de bereidheid om het leven, dat ons zonder programma is gegeven, in solidariteit aan te gaan door samen met anderen de bijbehorende risico’s en onzekerheden te aanvaarden en daaraan steun en vreugde te ontlenen.

Wiecher Zwanenburg, Bunnik

Het goede doen voor elkaar

Afgelopen week werd ik ’s avonds gebeld door mijn dochter. Ze zat in de hechtkamer van een ziekenhuis. Haar zoon van zeventien was, terugkomend van de sportschool, aangevallen door een onbekende man die met een mes zijn band probeerde lek te prikken. De jongen protesteerde, en de man stak hem daarop in zijn arm. Door zijn winterjack, trui en t-shirt. Vanaf de fiets belde hij de politie. Nu zaten ze te wachten in het ziekenhuis totdat de arm gehecht zou worden. Later op de avond hoorde ik dat mijn kleinzoon zes hechtingen in zijn arm kreeg, aan het antibioticum moest en zijn bloed onderzocht zou worden op ziekteverwekkende stoffen. Ik whatsappte hem: ‘Lieve H., dit zijn echt dikke pech uitzonderingen. De meeste mensen willen het goede voor elkaar.’ Even later kwam zijn antwoord: ‘Ja, dat merkte ik daarna in het ziekenhuis.’ ‘God, eren en dienen’ heeft voor mij alles te maken met een positieve levenshouding.

Nelleke Viëtor, Berg en Dal

Dankbaarheid

In 1957 ben ik aangenomen toen nog in de oude Remonstrantse kerk in Den Haag door ds Tjalsma. We moesten onze eigen geloofsbelijdenis schrijven. Zoals toen, zou ik het niet meer kunnen doen. Wij moesten de tekst die u noemt uit ons hoofd leren en hardop op zeggen bij onze aanneming, als teken dat je remonstrant bent. Ik zou het woordje God willen vertalen door dankbaarheid. Dankbaarheid dat God ons geschapen heeft en dat wij er mogen zijn, elke dag als een geschenk. God zegt zelf ‘Ik zal er zijn’.

God dienen vind ik moeilijker uit te leggen. Ik denk aan de tien geboden. God vraagt van ons, en geeft ons een roeping tot verdraagzaamheid, uw naaste liefhebben als u zelf. In 1 Korinthe 13 staat ‘geloof, hoop en liefde, de eerste is de liefde.’ God zelf is liefde. Je moet proberen om wat meer liefde aan elkaar te geven en open te staan voor je medemens. Gezang 568a getuigd daar van: ‘Ubi Caritas’

Loes Thierry, Voorburg

 

 

Zie ook