De deugd van de gelatenheid 

De deugd van de gelatenheid 

Annemarieke van der Woude stelt in haar publicaties ‘trage vragen’ bij het huidige debat over euthanasie en voltooid leven.   

Het aantal mensen dat in Nederland sterft door euthanasie neemt jaarlijks toe: in 2017 waren er 6585 meldingen (er stierven in dat jaar in totaal ongeveer 150.000 mensen). In verreweg de meeste gevallen ging het om patiënten die, in de terminale fase van hun ziekte, om euthanasie hadden verzocht (89%). Maar er waren ook mensen bij die niet terminaal ziek waren, maar desondanks niet verder wilden leven: 169 met dementie, 83 met ernstig psychisch lijden en 293 met een opeenstapeling van ouderdomskwalen. 

Zelfdoding
Als ik nadenk over de levensbeëindiging van een bepaald mens, met die en die levensgeschiedenis, met meer of minder draagkracht en een sociaal netwerk dat hem of haar wel of niet kon opvangen: daar heb ik geen oordeel over. Ik kan de overwegingen niet peilen. Maar als ik nadenk over wat het overlijden van deze mannen en vrouwen betekent voor de mensen die achterblijven, en voor onze samenleving, dan ken ik aarzelingen. Die aarzelingen hebben te maken met het gegeven dat als iemand die niet terminaal ziek is, sterft door euthanasie, er eigenlijk sprake is van zelfdoding: de persoon in kwestie bepaalt immers zelf het moment van overlijden. 

De emotionele gevolgen kunnen voor de nabestaanden dan net zo ingewikkeld zijn als de gevolgen van de beslissing van iemand die eigenhandig kiest voor de dood. Er wordt in dat verband gesproken over ‘gecompliceerde rouw’. Het stelt namelijk de relatie die je met elkaar had ter discussie: ‘Was ik niet meer de moeite van het leven waard?’ 

Risico 

Het is nog niet zo lang geleden dat wij in Nederland werden opgeschrikt door de zelfdoding van twee publieke figuren: Joost Zwagerman (op 8 september 2015) en Wim Brands (op 4 april 2016). Deze mannen waren door hun eigen levensgeschiedenis kwetsbaar geworden. De vader van Joost Zwagerman heeft ooit een poging gedaan om zijn leven te beëindigen; de vader van Wim Brands is geslaagd in die poging. Zij hebben ‒ in de woorden van Christa Anbeek ‒ aan ‘de destructieve keten in hun familie geen weerstand kunnen bieden’ (Trouw, 18 september 2018). Het mogelijk besmettelijk karakter van zelfdoding roept de vraag op of wij als samenleving een risico lopen wanneer we hulp toestaan aan hen die geen enkel perspectief meer zien: het risico namelijk dat we deze mensen, onbedoeld, de weg wijzen naar zelfdoding.  

Pas op de plaats
Hoe vinden we een uitweg uit dit lastige dilemma? Mensen die de wens te kennen geven hun leven te willen beëindigen, willen we niet in een isolement dringen. We willen hen ook niet veroordelen tot een gewelddadig levenseinde. Maar wat kunnen we wel? Misschien zou het goed zijn – ik zeg het schoorvoetend – als wij een pas op de plaats zouden maken als de dood in aantocht is. Dat betekent in ieder geval twee dingen: niet eindeloos doorbehandelen als de dood al op de deur heeft geklopt. Maar het betekent óók: de dood niet al te snel dichterbij willen halen. 

Iets over dat laatste. Het einde van een mensenleven is – zo zou ik het enigszins plechtig willen formuleren – een heilig gebeuren. Als je dat terugbrengt tot een beheersbaar proces, ontneem je de dood haar heilige karakter. En je ontneemt jezelf de mogelijkheid om iets van het heilige te ondervinden. Gek genoeg is dat een ervaring die niet angstig hoeft te maken maar, integendeel, je een nieuwe kijk op het bestaan kan geven. Mensen die ooit aan het sterfbed van een dierbare hebben gezeten vertellen wel eens dat die ervaring hun visie op de dood voorgoed heeft veranderd: ze zijn niet bang meer. 

Wat zou ‘halt weten te houden voor de dood’ kunnen betekenen in het licht van de problematiek van het voltooide leven? Dezelfde vraag, nu met een ander accent: als wij de dood niet dichterbij zouden willen halen voor mensen die ‘klaar’ met leven zijn, zelfs niet als deze mensen daar nadrukkelijk om vragen, wat hebben wij hen dan te bieden? 

Zeggenschap over bestaan kwijtraken
Een vraag achter de discussie over euthanasie en voltooid leven is in ieder geval ook: Wie is mij nog nabij als ik niet meer voor mijzelf kan zorgen? Hoe bespaar ik mijn geliefden de ervaring om de gruwel van mijn aftakeling mee te maken? Het gaat hier over de kwestie van nabijheid bij mensen die bang zijn de zeggenschap over hun eigen bestaan kwijt te raken en volledig afhankelijk te worden. 

De tragiek van de hoge ouderdom is dat er geen oplossingen meer voorhanden zijn. Dát zou ik nou stoer vinden: als wij als samenleving de moed zouden kunnen opbrengen om tegen deze mannen en vrouwen te zeggen dat wij hun kwetsbaarheid niet kunnen wegnemen. Dat wij erkennen dat wij tegenover hen met lege handen staan. Maar dat wij hen desondanks niet aan hun lot overlaten. De deugd die daarbij hoort, is die van de gelatenheid.  

Wij worstelen als samenleving met ons onvermogen om de kwetsbaarheid van oude mensen in de ogen te kijken. Een parallelwet aan de euthanasiewet zou enigszins ons geweten kunnen sussen omdat we dan tenminste iets ‘doen’. Terwijl ik denk dat, in contact met hoogbejaarde mensen, ‘laten’ een veel barmhartiger grondhouding is. Nabij zijn. En niets doen. 

Annemarieke van der Woude
Predikant in remonstrantse gemeente Oosterbeek

Zie ook