Intussen in Dordt (10)

Intussen in Dordt (10)

Op 3 juli 1619 bekrachtigden de Staten-Generaal de besluiten van de Nationale Synode van Dordrecht. De theologische uitspraken van de kerkvergadering kregen kracht van wet in de Republiek, met inbegrip van de veroordeling van de remonstrantse opvattingen. Het was voortaan verboden om in het openbaar de inhoud van de Remonstrantie van 1610 te verdedigen of te verspreiden. De predikanten die zich daar niet aan hielden, zouden uit hun ambt ontheven worden, hun traktement of pensioen kwijtraken en mogelijk zelfs met geweld vervolgd worden.

Het plakkaat van de Staten-Generaal werd in de tweede helft van juli in alle gewesten van de Republiek afgekondigd. In de vorige aflevering is al gemeld dat ruim de helft van de remonstrantse predikanten in de Republiek zich neerlegde bij dit besluit: minstens veertig van hen ondertekenden de Dordtse Leerregels en ongeveer zeventig ondertekenden de zogenaamde ‘Acte van stilstand’, waarmee zij hun predikantsambt neerlegden en voor een ander beroep kozen. Voor de kleinere helft van de vrijzinnige predikanten begon een avontuurlijke periode: sommigen bleven ondergronds in de Republiek werken en een grote groep koos voor de ballingschap.

Zuivering en vervolging

Niet alleen de predikantenstand werd gezuiverd van vrijzinnige smetten, ook de Leidse universiteit moest het ontgelden. Het gevolg was een kleine ‘braindrain’. Drie vooraanstaande bestuurders, alle drie geleerden van naam en faam, werden ontslagen omdat zij sympathiseerden met de remonstranten: de twee regenten Petrus Bertius en Gerardus Vossius en de subregent Caspar Barlaeus. De laatste had de Synode van Dordrecht vanaf de eerste dag gevolgd vanaf de publieke tribune. Hij hield zijn Leidse vrienden van de ontwikkelingen op de hoogte. Bertius, die in 1609 de lijkrede had uitgesproken bij de begrafenis van Arminius, vluchtte na zijn ontslag naar Parijs, waar hij kosmograaf werd aan het hof van de koning en vervolgens, nadat hij in 1620 was overgestapt naar de rooms-katholieke kerk, hoogleraar aan de Sorbonne. De overstap van Bertius zou in de calvinistische propaganda dankbaar worden uitgebuit; zij maakte wel duidelijk dat de remonstranten eigenlijk vermomde papen waren, ‘crypto-katholieken’. Vossius en Barlaeus kwamen na enige omzwervingen uiteindelijk terecht in Amsterdam, waar zij een belangrijke rol speelden in de oprichting van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam, waar enkele jaren later ook het Remonstrants Seminarium onderdak vond. Ook de hoogleraar Oosterse talen Willem van der Codde werd ontslagen, evenals Cornelis Sylvius, hoogleraar in de rechtsgeleerdheid.

Tegen remonstrantse kerkdiensten of andere samenkomsten werd soms gewelddadig opgetreden. In Alkmaar werd op 28 juli 1619 een remonstrantse bijeenkomst overvallen; zes mensen werden gewond. In Schoonhoven werd een remonstrantse wever doodgeschoten. Op 20 oktober 1619 werd een remonstrantse samenkomst buiten de stad Rotterdam door soldaten verstoord. Een jongeman werd vermoord, vrouwen werden mishandeld. De soldaten sloegen aan het plunderen en beroofden de kerkgangers van geld, sieraden en kleren. De contra-remonstrantse predikanten en enkele stadsbestuurders volgden het tafereel met verrekijkers vanaf de toren van de Laurenskerk.

‘Weest hartelijk welkom, broeders!’

Een belangrijk aantal remonstrantse predikanten was trouwens al eerder ontslagen, nog vóór de Synode van Dordrecht was begonnen. Zo had de particuliere synode van Holland, die in oktober en november 1618 in Delft was gehouden ter voorbereiding van de Nationale Synode, al vier remonstrantse predikanten uit het ambt gezet, onder wie Johannes Uytenbogaert, de voormalige hofpredikant van prins Maurits en belangrijkste auteur van de Remonstrantie. Deze had de bui al eerder zien hangen. Op 29 augustus 1618, enkele maanden dus voor de Synode van Dordrecht van start ging, had hij nog een stuk overhandigd aan de landsadvocaat en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt waarin hij te kennen gaf dat de remonstranten bereid waren deel te nemen aan de Nationale Synode, natuurlijk niet als aangeklaagden, maar als volwaardige deelnemers. Oldenbarnevelt kreeg niet eens meer de kans om het stuk in de vergadering van de Staten in te brengen: hij werd diezelfde dag op weg op last van prins Maurits gevangen genomen. Toen Uytenbogaert dat hoorde, vluchtte hij nog diezelfde avond vanuit Den Haag naar Rotterdam. Twee weken later stak hij de grens over naar de katholieke metropool Antwerpen.

Vijftig gulden reisgeld
De remonstrantse predikanten die voor de Synode van Dordrecht waren gedaagd, verbleven na de afsluiting van de kerkvergadering nog altijd noodgedwongen in de synodestad. Op 2 juli 1619 werden zij naar Den Haag overgebracht en de volgende dag moesten zij één voor één voor de Staten-Generaal verschijnen. Zij kregen te horen dat de Staten de besluiten van de synode onderschreven en kregen de kans hun kerkelijk ambt neer te leggen. Alleen Henricus Leo, de predikant van Zaltbommel, deed dit. De anderen moesten de Republiek verlaten. Zij moesten de volgende morgen kenbaar maken waar zij heengebracht wilden worden. Twee predikanten kozen voor het graafschap Bentheim, één voor het stadje Huissen in het Land van Kleef en elf kozen er voor naar Waalwijk gebracht te worden, een plaats juist voorbij de grens tussen Holland en de Zuidelijke Nederlanden. Zij kregen elk vijftig gulden reisgeld. Negen reiswagens reden voor om de bannelingen naar hun nieuwe bestemming te vervoeren. Tussen negen en tien uur vertrokken zij uit een regenachtig Den Haag, nageroepen door het toegestroomde publiek. Het is deze uittocht die aanleiding heeft gegeven tot de prenten van de ‘Arminiaensche Uytvaert’ en de ‘Arminiaensche Dreckwaghen’, afbeeldingen van karren gevuld met een bont gezelschap van remonstrantse voorgangers die nooit in die samenstelling samen op reis zijn geweest.

Welkom in Waalwijk
Op zondag 7 juli 1619 kwam de reizigers in Waalwijk aan. Daar voegden zich nog andere remonstrantse predikanten bij hen, die al eerder waren verbannen. Een latere biografie van Episcopius, geschreven door de remonstrantse theoloog Philippus van Limborch, vertelt dat Waalwijk op zeker moment bezocht werd door Nicolaas van Zoes ofwel Zoesius, sinds 1615 bisschop van ’s-Hertogenbosch. Hij nodigde Simon Episcopius en de Utrechtse predikant Carolus Niellius uit voor een maaltijd in het begijnhof van Waalwijk en ontving hen allerhartelijkst: ‘Weest hartelijk welkom, broeders.’ De bisschop sprak voor die tijd opmerkelijk oecumenische woorden: ‘Ik noem u broeders, hoewel wij verschillen omtrent vele punten van de godsdienst, maar wij zoeken allen onze zaligheid door de ene Christus.’ Hij vergeleek het lot van de remonstranten met wat de katholieken eerder was overkomen: verjaging omwille van de godsdienst. Het is overigens niet ondenkbaar dat het verhaal over het bisschoppelijk bezoek een vrucht is van latere remonstrantse mythevorming.

Waalwijk lag dicht bij de grens met de Republiek en daardoor konden de remonstranten gemakkelijk blijven communiceren met hun geloofsgenoten in het vaderland. De Staten-Generaal waren daar niet blij mee en droegen de schouten van de grensplaatsen op om strenger toezicht te houden op het grensverkeer. Daardoor werd het contact met de remonstranten in de Republiek bemoeilijkt. De predikanten besloten verder te trekken, op naar de wereldstad Antwerpen. Daar bevonden zich al een aantal collega’s, onder wie Uytenbogaert. En daar zouden zij twee maanden later een solidariteitsverbond sluiten: de Remonstrantse Broederschap.

 

Peter Nissen is remonstrants predikant in Oosterbeek en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen

Zie ook