Intussen in Dordt (8)

Intussen in Dordt (8)

De maand mei was de laatste vergadermaand van de Synode van Dordrecht. Nadat op 23 april de Dordtse Leerregels waren aangenomen, waarin de remonstrantse opvattingen als dwalingen werden veroordeeld, werden een dag later ook de aanhangers van die opvattingen veroordeeld. Zij werden weggezet als hardnekkige dwaalleraren, als ‘invoerders van nieuwigheden’, als vervalsers van de religie en als scheurmakers. Voor zover dat binnen de bevoegdheden van de Nationale Synode viel, werden zij uit al hun kerkelijke en academische ambten ontzet. Ruim een maand later, op 2 juli, bekrachtigden de Staten-Generaal de besluiten en vonnissen van de Synode, en daarmee werden de remonstrantse predikanten vogelvrij verklaard in de Republiek.

Nog meer slachtoffers

De Synode van Dordrecht was nog niet klaar met veroordelen. Op 5 mei 1619 werd de van oorsprong Keulse theoloog Conrad Vorstius, die Arminius in 1610 aan de universiteit van Leiden was opgevolgd, nog eens afzonderlijk veroordeeld. Vorstius had bij zijn benoeming in Leiden de steun genoten van Johannes Uytenbogaert, toen nog hofpredikant van prins Maurits, van Hugo de Groot en van Johan van Oldenbarnevelt, en dat was al reden genoeg om hem in de ogen van de strikte calvinisten verdacht te maken. Toen Vorstius ook nog eens sociniaanse opvattingen begon te verkondigen, dat wil zeggen de goddelijke natuur van Jezus in twijfel begon te trekken, en in 1611 een tekst van de Italiaanse theoloog Fausto Sozzini (in het Latijn Faustus Socinus) over het gezag van de Bijbel heruitgaf, waren de poppen helemaal aan het dansen.

Hij werd (overigens met behoud van salaris) ontslagen aan de universiteit van Leiden en dook onder in Gouda. Zonder dat iemand hem kon verdedigen en ook zonder dat hij zelf aanwezig was, werd hij op 5 mei 1619 door de Synode veroordeeld als een ‘goddeloze ketter, godslasteraar, sofist en bedrieger’. Zijn geschriften mochten niet langer verspreid worden. Anderhalve maand later werd hem door de Staten van Holland ook zijn salaris ontnomen en werd hij verbannen, eerst uit Holland en vervolgens uit de hele Republiek. Een kerkhistoricus noemde hem ‘een betreurenswaardig slachtoffer van gereformeerde inquisitie’. Vorstius vluchtte naar Sleeswijk-Holstein, waar graaf Frederik III hem gastvrijheid bood. Het was deze zelfde graaf die in 1621 het stadje Friedrichstadt stichtte, waar Nederlandse gewetensvluchtelingen een veilig heenkomen konden vinden: joden, doopsgezinden, katholieken en remonstranten. Friedrichstadt huisvest nog steeds de enige remonstrantse gemeente buiten Nederland.

Proefnummer AdRem, remonstrants magazine

Vraag nu een proefnummer aan van AdRem, het remonstrantse magazine!

Maak ’t kort!

Een indirect slachtoffer van de Synode was Johan van Oldenbarnevelt, de talentvolle bestuurder die sinds 1586 raadpensionaris van de Staten van Holland was en jarenlang goed had kunnen samenwerken met prins Maurits. De twee waren echter uit elkaar gegroeid en kwamen in allerlei opzichten tegenover elkaar te staan. Prins Maurits wilde de strijd tegen Spanje met een militaire triomf beslechten, Oldenbarnevelt wilde die langs diplomatieke weg in een vrede laten uitmonden. Prins Maurits beschuldigde Oldenbarnevelt daarop van landverraad en liet hem op 29 augustus 1618, tegelijk met onder meer Hugo de Groot, gevangen zetten. Bij de beschuldigingen tegen Oldenbarnevelt voegde zich het feit dat hij de kant van de remonstranten had gekozen, terwijl prins Maurits partij koos voor de strikte calvinisten. Tijdens de maandenlange verhoren van Oldenbarnevelt kwam de kwestie van de religie uitvoerig ter sprake. In het recente boek van Wilfried Uitterhoeve over De zaak Oldenbarnevelt. Val, proces en executie kan men het nalezen. In april 1619 werden de verhoren afgesloten en in het begin van mei werd het vonnis op papier gezet. Ook daarin keert de kwestie van de religie terug; zij vormt, samen met het hoogverraad jegens de prins, zelfs de belangrijkste aanklacht. Oldenbarnevelt werd verweten de partij van de remonstranten te hebben gekozen en zo verdeeldheid in de religie te hebben gebracht. Hij had de strikte calvinisten zwartgemaakt als ‘vreemdelingen ende puriteynen’. En hij had ook nog eens de benoeming van Vorstius goedgekeurd.

Drie dagen lang werd er door de rechters gediscussieerd over de straf. Sommigen vonden de doodstraf ongepast voor een zo oude man (Oldenbarnevelt was 71), met toch onmiskenbare verdiensten. Zij stelden voor de straf om te zetten in levenslang. Maar prins Maurits wilde dit niet accepteren. Het is niet eens bekend of er wel gestemd is door de rechters: de meerderheid koos voor de doodstraf en de minderheid legde zich daarbij neer. Op 12 mei 1619 werd het vonnis uitgesproken en een dag later werd het op het Binnenhof in Den Haag uitgevoerd: de man die door sommige historici wordt beschouwd als de grootste staatsman die Nederland ooit gekend heeft, werd door de scherprechter onthoofd. ‘Here God, hemelse Vader, ontferm u over mij’, zo waren de bijna laatste woorden van Oldenbarnevelt, nog gevolgd door: ‘Maak ’t kort, maakt ’t kort!’ Of die laatste woorden bedoeld waren voor de scherprechter of voor Oldenbarnevelts knecht Jan Francken, die afscheid van hem wilde nemen, is nooit opgehelderd.

Ode aan de Synode

In Dordrecht was intussen afscheid genomen van de buitenlandse vertegenwoordigers. Op 6 mei, een dag na de veroordeling van Vorstius, was er een gebedsdienst in de Grote Kerk van Dordrecht. Synodevoorzitter Bogerman ging voor in een gebed dat een half uur duurde. Drie dagen later, op Hemelvaartsdag, was er een afscheidszitting voor de buitenlandse waarnemers, gevolgd door een driegangendiner, aangeboden door de stad Dordrecht, ‘met vermakelijke muziek van stem en snarenspel’. Er werd bij dat diner ook door vrouwen gezongen, maar die moesten wel achter een gordijn blijven staan.

Tussen 13 en 29 mei 1619 vonden de nazittingen van de Synode plaats, nu zonder publiek en in het Nederlands, want de buitenlandse gasten waren toch weg. De kerkorde voor de vaderlandse kerk werd vastgesteld, een kerkorde die in grote lijnen tot 1816 van kracht zou blijven. Ook werd het verzoek aan de Staten-Generaal geformuleerd om de Nederlandse bijbelvertaling, waartoe in november 1618 al was besloten, financieel te ondersteunen. Zo werd de Statenvertaling, die bijna twintig jaar later, in 1637, in druk zou verschijnen, mogelijk gemaakt.

Op 29 mei 1619 was er ’s morgens een dankdienst in de Grote Kerk. ’s Middags werd de Synode van Dordrecht in de Kloveniersdoelen met de 180ste zitting afgesloten. De danktoespraken van die laatste zitting vormden samen al een ‘Ode aan de Synode’. ‘Onder overvloedige betuyginge van broederlyke eendrachtigheydt en liefde in de naam des Heeren’ werd de Synode afgesloten. Zonder remonstranten.

Peter Nissen, 
hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en predikant in de remonstrantse gemeente van Oosterbeek. Hij maakt deel uit van de Taakgroep Theologie van de Remonstranten en vertegenwoordigt de Remonstranten in de Raad van Kerken in Nederland. Tevens is hij voorzitter van het College van Curatoren van het Remonstrants Seminarium.

Zie ook