Liefde, waarheid en waarheidsliefde
Foto: Marjolein van Panhuys

Liefde, waarheid en waarheidsliefde

Rik Torfs is hoogleraar kerkelijk recht aan de KU Leuven. Van 2013 tot 2017 was hij bovendien rector van deze universiteit. Als hoofdspreker tijdens de slotbijeenkomst van het jubileum 400 jaar remonstranten op 14 september 2019 in de Rode Hoed, hield hij de lezing ‘Liefde, waarheid en waarheidsliefde’. Wij drukken die lezing hieronder af. Humoristisch en zeer de moeite waard om (nog eens) te lezen. Hoe kijkt deze katholiek tegen de Remonstranten aan?

Waarheid
Ik begin met de waarheid. Remonstranten houden daar ongetwijfeld van, meer dan van de leugen. Wie niet? Maar voor Remonstranten begint geloof bij de mens, niet bij God. Ze zijn voorzichtig om namens God te spreken. En ze zeggen ook dat God zich niet laat vangen in woorden, kerken en geloofsbelijdenissen. Hierin verschillen ze van andere gelovigen. Van katholieken bijvoorbeeld.

Of van atheïsten. Laten we met de atheïsten beginnen. Niemand kent God beter dan zij. Sommigen vinden zijn bestaan wetenschappelijk niet oké. Het is hij of Darwin, de schepping of de evolutie. Ze zijn directe concurrenten van elkaar. En dus wint Darwin, en belandt God op een eervolle tweede plaats. Of liever: een uitzichtloze tweede plaats. Er kan immers maar één winnaar zijn, want één waarheid. Darwin wint. Dus God bestaat helaas niet. Althans, de God die voor een letterlijke lezing van het boek Genesis staat.

Andere atheïsten verwerpen God om morele redenen. Hij kneep zijn ogen dicht voor de Holocaust, verzuimde het in te grijpen om die te verhinderen. Bovendien staat hij toe dat onschuldige kinderen aan kanker doorgaan. Een God die dergelijke gruwelen toestaat, kan niet bestaan. Dat klopt. Dat klopt wanneer God de almacht heeft om in te grijpen in de geschiedenis en heel bewust, in koelen bloede, het kwade boven het goede verkiest. Niemand kent God beter dan de atheïst. God is de schepper van het boek Genesis, hij is de almachtige die naar believen kan ingrijpen in de geschiedenis, hij is ook oneindig goed. Zo moet God zijn, wil hij God zijn. En zo is hij niet, dus bestaat hij niet. Ziehier meteen een verschil tussen atheïsten en Remonstranten. Atheïsten kennen God goed, daarom bestaat hij niet. Remonstranten weten minder van hem, daardoor heeft hij de kans om wel te bestaan.

Katholieken
Katholieken geloven ook in de waarheid. Dat delen ze met atheïsten. Maar een katholiek vertrouwt, minder dan de atheïst, niet uitsluitend op zijn vlijmscherp verstand, op de zuivere rede. Niet dat een katholiek niet over verstand beschikt, of dat het scherpte zou missen. Daarvan is tot nog toe onvoldoende bewijs geleverd. Maar de katholieke waarheid is altijd een beetje diffuus. Ze is bijvoorbeeld niet enkel op de Schrift gebaseerd. Sola scriptura, enkel de Schrift, een katholiek zal zoiets nooit zeggen. Hij overdreef weleens in de andere richting, waarbij hij alles las behalve de Schrift.

Zoiets heeft voordelen. Wie de Schrift niet leest of haar niet kent, zal er geen ruzie over maken, iets wat de kinderen van de reformatie wel deden, met allerlei kerkscheuringen als gevolg. Dat komt ervan, wanneer je veel weet. Dan blijkt kennis soms onmacht te zijn. Maar natuurlijk heeft de katholieke waarheid ook nadelen. Ze moet worden gevolgd, ook voor wie moeite heeft haar te geloven. En wie al te sterk buiten de lijntjes kleurt, verwerft het statuut van ketter. Canon 751 zegt onomwonden waar het om gaat: ‘Ketterij wordt genoemd het, na het ontvangen van het doopsel, hardnekkig ontkennen of in twijfel trekken van een of andere waarheid die met goddelijk of katholiek geloof geloofd moet worden.’

Ketterij
Wie zich aan ketterij waagt, wordt van rechtswege geëxcommuniceerd (canon 1364). Het is natuurlijk mogelijk, met enige zin voor ironie, het statuut van ketter als een nauwelijks te bereiken ideaal naar voor te schuiven. Wie ketter wil worden, moet immers aan twee vereisten beantwoorden. Vooreerst is hij intelligent, want hij dient haarfijn te weten wat wel en wat niet met goddelijk en katholiek geloof geloofd moet worden. Vervolgens is de ketter dapper, want hij is pertinax, hardnekkig, bij het ontkennen of in twijfel trekken van de waarheid.

Slim en dapper: twee vereisten die gelijktijdig moeten worden vervuld om het juridisch statuut van ketter te verwerven. Het is niet zomaar voor iedereen weggelegd. Toch is er een probleem met het gesloten katholieke waarheidsbegrip: het staat soms liefde in de weg. Alsmede een waarachtige oecumenische geest. Zo heeft canon 11 het over christenen wier doopsel wordt erkend en later in de katholieke kerk worden opgenomen. Maar niet andersom. Er is geen symmetrie. Katholieken die naar een andere christelijke kerk overgaan, die bijvoorbeeld remonstrant worden, kunnen niet. Ze mogen immers de waarheid niet verlaten. Doen ze het toch, dan vergissen ze niet enkel, maar verwerven het statuut van ketter, althans wanneer ze slim en dapper genoeg zijn, en worden, ik zei het al, van rechtswege geëxcommuniceerd.

De waarheid valt op hen neer en verplettert hen. Misschien schuilt hier wel een merkwaardige gelijkenis tussen de doorsnee atheïst en de traditionele katholiek: er is maar één waarheid, die duidelijk kan worden vastgesteld. Naast haar is geen plaats voor een andere. Er is waarheid en er is dwaling, die ofwel tot een veroordeling wegens domheid, ofwel tot een kerkelijk misdrijf leidt. Prettig is anders.

Waarheidsliefde

Maar misschien is er met de waarheid wel wat meer aan de hand. Moeten we het begrip echt zo rigide zien als het vandaag wordt begrepen? Jürgen Habermas stelde ooit voor het begrip uit te breiden, het minder exact-wetenschappelijk of metafysisch te zien, en ook plaats te maken voor rechtvaardigheid en waarachtigheid. Die twee begrippen zijn dan geen manier om met de waarheid om te gaan, maar worden er zelf een onderdeel van. Zulks impliceert dat wie de ‘waarheid’ gebruikt om strategische redenen, maar niet uit waarheidsliefde, wegens gebrek aan waarachtigheid haar alsnog geweld aandoet. Men denke aan de brief Ordinatio sacerdotalis die paus Johannes-Paulus II op 20 mei 1994 schreef en waarin hij vermeldde dat de onmogelijkheid om vrouwen tot priester te wijden tot de goddelijke ordening van de kerk behoort. Geheel toevallig – of juist niet- werden minder dan twee maanden voordien in de kathedraal van Bristol de eerste vrouwen tot priester gewijd in de Church of England. Kortom, de brief van de paus stelt de verhouding tussen traditionele waarheid en waarachtigheid in alle scherpte aan de orde.

God is niet relatief, maar het gesprek over Hem wel
Een tweede manier om liefdevoller met de waarheid om te gaan heeft te maken met het begrip ‘exclusiviteit’. Er lijkt geen tussenweg mogelijk tussen ‘absolute’ waarheid en relativisme, een houding die Joseph Ratzinger toen hij prefect was van de Congregatie voor de Geloofsleer, te vuur en te zwaard bestreed. Maar kan het onderscheid altijd zo vlijmscherp worden gemaakt? Of gaat het om een artificieel dilemma? Als elk spreken over God voorlopig is, zoals het in de remonstrantse context het geval is, dan betekent zulks niet dat God zelf ‘relatief’ is maar enkel elk gesprek over hem. Het gaat dus uitsluitend over de manier om over hem te spreken, over de relativiteit van het discours, de onmogelijkheid van de definitieve definitie. Die gedachte valt te vergelijken met de joodse wijsheid die leert dat wie God definieert enkel te weten komt wie hij niet is, want geen enkele definitie kan hem vangen.

Er is overigens nog een andere weg om het absolute karakter van de waarheid te verzoenen met een liefdevolle houding tegenover de religieuze gevoelens en tradities van iemand anders. Wie bijvoorbeeld als christen gelooft of verkondigt dat God nooit dichter bij de mens was dan in de persoon van Christus, denkt allerminst relativistisch. Hij of zij doet in ieder geval een krachtige geloofsuitspraak. Tegelijk leiden de absolute aspiraties die in de uitspraak zijn vervat niet tot exclusiviteit in de zin van uitsluiting. Wie zegt dat God nooit dichter bij de mens kwam dan in de persoon van Christus, sluit niet uit dat hij ooit even dicht naderde. Wie zijn wij om God te controleren in zijn vrije tijd of de absolute ervaringen die wij hebben aan anderen te ontzeggen? Kortom, formules waarin de absolute waarheid overeind blijft zonder dat ze daarom exclusief hoeft te zijn, blijven perfect mogelijk. Tegelijk wordt waarheidsliefde verzoend met liefde voor wie de waarheid zoekt.

Over waarheid die ruimte laat aan anderen
Waarheidsliefde en liefde voor de mens hebben met elkaar heel veel te maken. Waarheid kan absoluut zijn zonder dat ze bezitterig wordt. Ze laat ruimte aan anderen. Toch zoals ik haar zopas probeerde te analyseren. Hetzelfde geldt voor de liefde. We beschrijven die net zo goed graag als absoluut. Zeker de liefde van God voor de mens. Maar ook zelf hunkeren we, wanneer het om ware liefde voor iemand anders gaat, naar het absolute. Daardoor dreigt het absolute verstikkend te worden. Toen ik in de jaren tachtig aan mijn proefschrift werkte over het huwelijk als levensgemeenschap, voelde ik een diepe weerzin tegen het fusionele, beklemmende beeld dat de katholieke kerk vooruitschoof. Juist omdat het op liefde stoelde, was het huwelijk volgens het Tweede Vaticaans Concilie en het kerkelijk wetboek een totius vitae consortium, een het algehele leven omvattende gemeenschap, waarin vooral priesters die zelf nooit een relatie hadden, heel erg konden opgaan. Ze behoorden tot wat in die tijd gelukkig ook nog wel eens smalend de schola amoris werd genoemd. Wie de ene partner zag, zag de andere. Ze vloeiden in elkaar over, verloren hun eigen identiteit.

De ander in zijn vreemdheid laten

Geef mij dan maar de beschrijving die de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben over liefde geeft, en ik citeer nu: “Idee van de liefde. Leven in de intieme sfeer van een vreemd wezen, niet om het naderbij te komen of te leren kennen, maar om het in zijn vreemdheid en afstand te laten, of liever: het onopvallend te laten – zo onopvallend dat het helemaal opgaat in zijn naam. En dag na dag, zij het met zeker ongenoegen, niets anders zijn dan de altijd open plek, het onvergankelijke licht waarin dat ene wezen, dat ding, voor altijd blootgesteld en gevangen blijft.”

Waarheid en liefde moeten open zijn
In die zin is een vergelijking tussen waarheid en liefde mogelijk. Als het echt ernst met hen is -want er zijn ook kleine waarheden en vluchtige liefdes- kunnen ze niet gesloten of exclusief zijn, rest hen niets anders dan de openheid, omdat het absolute enkel de hunkering naar het absolute kan zijn.

Dat lijkt mij een attitude die perfect in de remonstrantse traditie past, ongetwijfeld meer dan in de atheïstische die juist bij de gratie van gesloten begrippen bestaat. Meer ook dan de katholieke, die net iets te weinig vertrouwen heeft in de waarheid om haar gedeeltelijk los te laten, om ruimte te schenken aan de open plek waarover Giorgio Agamben het heeft wanneer hij over de liefde praat. Eigenlijk zou ik best remonstrant kunnen worden, mocht ik niet door een speling van het lot altijd katholiek zijn geweest en gebleven. Mocht ik daar geen open plek hebben gevonden of gemaakt door dorre bomen weg te hakken, zij het niet zonder licht verdriet.

Liefde voor het dorre hout

Herinner u het lijdensverhaal in het evangelie volgens Lucas, hoofdstuk 23, vers 31, waar Jezus zegt: ‘Want als men zo doet met het groene hout, wat zal er dan met het dorre geschieden?’ Misschien wel het onverwachte. Jezus gaf alvast zelf het antwoord niet.

Ik wens u, na 400 jaar, een mooie toekomst toe. Die begint elke dag opnieuw. Goed dat er remonstranten zijn, ze tonen elke dag dat een vrij en open christendom werkelijk mogelijk is.

Waarvoor mijn grootste bewondering.

Zie ook