Theologie van mens en dier
Foto: Canopart Studios

Theologie van mens en dier

Vasalis schreef in 1937 een gedicht, Het Ezeltje. Bij een avondwandeling ziet ze het jonge dier staan en het confronteert haar als bij blikseminslag met iets in zichzelf: ‘Een pijnlijke herinnering: zo ben ik vroeger ook geweest. Die gaafheid en zachtzinnigheid, onzware ernst en droomrigheid’. De ezel is hier een metafoor: hij wordt gezien als het verleden van de ik-persoon, haar jeugd, die volmaakt was en waar ze met verlangen op terug kijkt. De aanblik van het dier brengt de dichter bij zichzelf. Het ezeltje wordt beeld voor het verloren paradijs, de volmaakte wereld die mensen wellicht door eigen schuld zijn kwijt geraakt, de wereld waar mens en dier ooit in harmonie met elkaar leefden.

Spiegel voor de mens?

Zijn dieren nog steeds in staat om een spiegel te zijn voor de mens? Voor Vasalis is het ezeltje een medeschepsel dat haar iets kan vertellen over een diepere waarheid in haar leven. In de ontmoeting met het dier wordt ze zich bewust iets in zichzelf verloren te hebben. De openheid voor de zeggingskracht van dieren als ook de erkenning van hun intrinsieke waarde gaat verloren wanneer ze massaal uitgebaat en winstgevend gemaakt worden in de bio-industrie. Ze hebben dan ook letterlijk niets meer te zeggen. Leeft de mens nog in een zekere harmonie met de levende natuur en de Schepper daarvan? Met de klimaatcrisis krijgen deze vragen een verdere scherpte. Kunnen we met onze vragen over de omgang met de aarde en de dieren een oriëntatie vinden in de theologie? Of gaat het in de theologie alleen over de bijbel en over de verhouding van God en mens? In de orthodoxe opvatting spreekt God in de bijbel tot de mens. In meer vrijzinnige opvatting zijn het in de bijbel mensen die óver God spreken. Wat de auteurs daar neerleggen aan verhalen en opvattingen leert ons vermoedelijk meer over mensen dan over de God waar zij woorden aan geven. De bijbelschrijvers spreken vanuit de cultuur van hun tijd en vanuit persoonlijke ervaringen, maar bijzonder wordt het als zij soms ook boven zichzelf uitstijgen en ons een inzicht gunnen dat universeel en voor andere tijden dan de hunne waardevol is. Dan heeft de heilige Geest vat op ze gekregen, dan hebben zij iets van God gezien.

Bijbel

De bijbel schrijft over een aanvankelijke harmonie waarin de mens met zijn omgeving en met God leefde. ‘God, de Eeuwige, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt’ (Gen. 2:8). Het is een plek van gelukzaligheid, het is het paradijs. Er zijn geen mensen die andere mensen of dieren naar het leven staan; dieren op hun beurt doden geen mensen en eten ook elkaar niet op. God spreekt: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde, dat zal jullie voedsel zijn.’  De dieren geeft God de groene planten tot voedsel. Mensen en dieren zijn vegetariër. Maar deze paradijselijke toestand zal niet stand houden. De mens wordt weggestuurd uit de Hof, geweld doet zijn intrede, de ene mensenzoon doodt de andere. God ziet dat alle mensen op aarde slecht zijn, krijgt spijt dat hij ze gemaakt heeft en besluit ze van de aarde weg te vagen, ‘en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze gemaakt heb.’ (Gen. 6 : 7-8) Hier al is het voortbestaan van de dieren afhankelijk geworden van het goede of slechte gedrag van de mens. Na de zondvloed is er een doorstart voor mens en dier, maar de harmonieuze verhouding van den beginne is blijvend veranderd. De dieren worden in de macht van de mensen gegeven en ‘alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen.’ Het is geen belofte aan de mens en ook geen goedkeuring, maar een vaststelling van een nieuwe werkelijkheid. God sluit vervolgens een nieuw verbond ‘tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie’ Over hen samen spant hij zijn regenboog, teken van zijn verbond met de aarde (Genesis 9:13).

Natuur slechts decor voor de mens

Mens en dier mogen samen verder. Tegelijk is vanaf dat moment de harmonie van mens en natuur, mens en dier verdwenen. De natuur lijkt slechts het decor voor de mens die acteert. De mens haalt er naar believen uit wat hem van nut is. Hij exploiteert de aarde en ook de dieren staan ter beschikking van de mens. Ze worden gebruikt als trek-, last- en offerdier of worden opgegeten. Slechts op één plek in de bijbel komen we een huisdier tegen, het is een hondje en het mag er zijn voor vriendschap en gezelligheid. In het boek Tobit gaat diens zoon met een begeleider op reis en ‘zijn hond kwam achter hen aan’. Er zijn verschillende versies van dit verhaal. In één lezen we over Tobias’ thuiskomst: ‘De hond die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als een bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart.’ Het is voor de bijbel een hoogst uitzonderlijke rol die een dier krijgt. Niet vreemd dat het dan ook staat in een apocrief boek, een boek dus dat als van de tweede orde werd beschouwd.

Grootgebruiker

Gaandeweg is de mens een grootgebruiker van de aarde geworden en van al het leven dat zich daarop bevindt. Misschien ook met een ten dele terecht beroep op de bijbel. Hij is degene die feitelijk beslist of dieren en diersoorten mogen blijven bestaan of dat ze moeten verdwijnen. En niet alleen de toekomst van de dieren hangt af van de keuzes die de mens maakt. De mens legt de aarde op dat het ijs aan de polen verdwijnt, dat de temperaturen met misschien wel drie graden stijgt, dat er een grote toename van radioactiviteit is als gevolg van vijfhonderd bovengrondse atoomproeven. De natuur legt ons geen nieuw geologisch tijdperk meer op, dat doen wij zelf. De mens is nu de dominante geologische kracht op aarde geworden. Nooit eerder had één soort op aarde zoveel impact. De Nederlands-Zweedse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen heeft daarom de fase waarin de aarde zich sinds het begin van de industriële revolutie bevindt de naam Antropoceen gegeven. We bevinden ons in het (geologische) tijdvak van anthropos, het Griekse woord voor mens. In het gesprek met Eva Meijer, elders in deze Ad Rem, komt u het begrip ook tegen. De mens is een bedreiging geworden voor het voortbestaan van planten, dieren en… van zichzelf.

Compassie met dieren

Paus Franciscus publiceerde vier jaar geleden de encycliek Laudato Si (‘Geprezen zijt Gij’) over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis, de aarde. Je kan dit schrijven zien als een update voor het scheppingsverhaal. Immers, de bijbelschrijvers voorzagen niet de bedreiging die de mens in onze tijd voor de schepping zou worden. Waar de zorg voor de aarde, ‘ons huis’, in toenemende mate te kort schiet daar is niet heel algemeen ‘de mensheid’ de dupe, maar in eerste instantie en in de ernstigste mate, de armen en machtelozen. En de dieren. Wie vervolgens met een groen oog nog eens het scheppingsverhaal leest, ziet dat daar niet alles uitsluitend draait om de mens, maar om God en de hele aarde. De Schepper beziet met welgevallen al zijn werken, inclusief de dieren, en hij oordeelt dat alles ‘zeer goed’ is. De dieren stelt hij één voor één aan Adam (de mens) voor als mogelijke partner. Mensen en dieren krijgen beiden de levensadem ingeblazen (Genesis 7) en delen in hetzelfde lot: ‘zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens, ze delen in dezelfde adem.’ (Prediker 3:19-20). De bijbel heeft tal van regels om dieren te beschermen. Lastdieren mogen niet te zwaar beladen worden, zieke en zwakke dieren moeten ontzien en geholpen worden, dieren hebben recht op een aandeel in de oogst en op sabbatsrust. Je mag stellen dat compassie met dieren een duurzame landbouwregel is in de bijbel. Dieren hebben er een eigen waarde en niet alleen als ze voor mensen van nut zijn. Dierenrechten vind je als thema niet terug in de bijbel, wel de plichten die mensen hebben ten opzichte van dieren. Zijn dat voorschriften die van God afkomstig zijn? Of hebben mensen, de auteurs van de bijbelverhalen, die op hun betere, – door God geïnspireerde? – momenten weten te verwoorden?

Is het voortbestaan van de aarde, de dieren en de mens inmiddels afhankelijk geworden van het handelen van de mens? Dat is een zware verantwoordelijkheid. In het Antropoceen kijkt het dier ons aan en confronteert ons met onszelf als het ezeltje van Vasalis. Hangt de toekomst van ezeltjes, andere dieren en de menselijke dieren alleen af van het gedrag van de laatsten? De bijbel bemoedigt ons: ‘U, Eeuwige, bent de redder van mens en dier’ (psalm 36 : 7).

Peter Korver
remonstrants predikant in de Kapel in Hilversum

 

 

Literatuur

Albert Faber, De gemaakte planeet. Leven in het Antropoceen, Amsterdam 2018.

Trees van Montfoort, Groene theologie, Middelburg 2019.

Zie ook