Niet waar ben je tegen, maar waar ben je voor! #slavernijverleden
Foto: Ebru Aydin

Niet waar ben je tegen, maar waar ben je voor! #slavernijverleden

Pravini Baboeram is artiest en activist, actief op het gebied van dekolonisatie. Zij bepleit een verschuiving van het concept schuld naar collectieve morele verantwoordelijkheid, om te doen wat juist is. ‘Ik verwacht dat allereerst de staat verantwoordelijkheid neemt. Maar ook de nazaten van mensen die hun welvaart hebben te danken aan de slavernij, bijvoorbeeld door plantages of de zeevaart’.

In ons artikel in NRC richten wij ons op ons slavernijverleden. Is dat iets waar wij ons schuldig over moeten voelen? Kunnen wij ons schuldig voelen over iets wat zo lang geleden plaatsvond?

‘Voor mij gaat het niet om schuld maar om verantwoordelijkheid. Het is heel lastig aan te tonen of je schuld hebt als het om iets collectiefs gaat. Maar ook al heb jij zelf niet direct schuld, je hebt wel profijt gehad van onrecht dat nooit is gecorrigeerd. Voor mij gaat het dan ook om verschuiving van het concept schuld naar collectieve morele verantwoordelijkheid, om te doen wat juist is. Ik verwacht dat allereerst de staat verantwoordelijkheid neemt. Maar ook de nazaten van mensen die hun welvaart hebben te danken aan de slavernij, bijvoorbeeld door plantages of de zeevaart.

Voor mij is de trans-Atlantische slavernij overigens niet los te zien van contractarbeid. Slavernij is in 1863 formeel afgeschaft, maar pas in 1873 waren de tot slaaf gemaakten daadwerkelijk vrij. Het is ook vanaf dat moment dat onder andere Hindostanen als ‘contractarbeiders‘ vanuit India naar Suriname werden verscheept. In de praktijk waren zij dwangarbeiders, misleid met valse beloftes en werkend in mensonterende omstandigheden. Hoewel er belangrijke verschillen zijn tussen slavernij en contractarbeid, zijn er ook belangrijke overeenkomsten te benoemen. De dwangarbeiders moesten hetzelfde werk doen op dezelfde plantages voor dezelfde meesters als de voormalig tot slaaf gemaakten. Slavernij en contractarbeid waren wat dat betreft onderdeel van hetzelfde koloniale systeem dat mensen van kleur onderdrukte en uitbuitte.’

Volgens Desmond Tutu begint het ermee om elkaars verhalen te vertellen en te horen. Is dat volgens jou genoeg gedaan? Hoe zou dat gestalte kunnen krijgen?

‘Er worden veel verhalen verteld. Als het gaat om de Hindostaanse gemeenschap, ben ik betrokken bij een project genaamd ‘De Calcutta brieven’. Dat zijn de brieven die onze voorouders hebben geschreven vanuit Suriname naar India en vice versa. Het is een hele unieke bron van informatie over die tijd, omdat het verhalen zijn door de ogen van de gekoloniseerden in plaats van de kolonisator. De emoties van wanhoop en verdriet zijn voelbaar in die brieven. Deze verhalen geven inzicht in hoe het was. Maar verhalen alleen lossen het probleem van institutioneel racisme niet op, daarvoor heb je echt beleid nodig.’

Er wordt veel gesproken over genoegdoening. Financieel, met name. Het teruggeven van kunst. Volgens ons gaat het vooral om een spiritueel proces. Om heling. De pijn zien. Ben je het daarmee eens? Of is dat niet voldoende en moet er alsnog (ook) betaald worden?

‘Heling begint met erkenning van het onrecht en het maken van excuses voor dat onrecht. Dat is echt een noodzakelijke eerste stap. Zolang dat niet gebeurt blijven acties als Black Lives Matter aan de orde. We zitten nog in de fase van veel ontkenning, en als het wordt erkend, blijft een excuses vaak uit. Zolang die erkenning en excuses niet uitgesproken worden, blijft het lastig om te kijken naar een gezamenlijke toekomst.

Als er eenmaal erkenning en excuses is, kan je toe naar herstelbeleid. Ik zeg bewust niet herstelbetaling, het financiële aspect is voor mij één onderdeel van een groter proces van herstel. Want het gaat om de vraag: hoe kun je dat verleden een plek geven in het heden? Die bewustwording begint bij dekolonisatie van het onderwijs. Wat betreft financiële compensatie, dat kan op verschillende manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld door het instellen van studiebeurzen voor studenten uit voormalige koloniën. Het zou een manier zijn om de achterstand die is veroorzaakt door de koloniale geschiedenis in te halen. Maar ook ‘affirmative action’, wat dan in Nederland wordt vertaald als ‘positieve discriminatie’. Maar dat woord is misleidend en roept een negatieve associatie op, het gaat tenslotte om ‘positieve actie’: het gelijk trekken van een ongelijke startpositie. Compensatie kan ook in de vorm van middelen voor een slavernijmuseum en een nationale herdenking.’

Wat vind je van ons voorstel voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie?

‘Ik ben erg voorstander van een proces en uiteindelijk verzoening. Het is makkelijk om te benoemen waar je tegen bent. Maar nog belangrijker is de vraag: waar strijd je voor? En dat is een samenleving waarin wij gelijkwaardig zijn. Waarin wij in liefde en harmonie kunnen leven. Daar is verzoening voor nodig.

Ik heb wel wat kritische noten wat betreft jullie voorstel, onder andere om de commissie door de overheid te laten instellen. De Nederlandse staat was ten tijde van slavernij tenslotte de misdadiger! De overheid is in deze niet boven alle partijen verheven. De instelling zou mijns inziens ook moeten geschieden vanuit het maatschappelijke middenveld, van instituties die verschillende groepen vertegenwoordigen. En ik zou niet kiezen voor de Ridderzaal voor het verzoeningsritueel. Die plek is nog steeds geen vertegenwoordiging van nazaten van gekoloniseerden, daar zit dan een scheve machtsverhouding in. Ik zou dan eerder denken aan een plek waar nazaten van tot slaaf gemaakten krachten hebben gebundeld in de sociale strijd, bijvoorbeeld  in Amsterdam Zuid – Oost.

En ik zou vooral de kunsten inzetten. Na verzoening volgt een nieuwe, ongekende samenleving en de kunsten kunnen ons helpen om die samenleving uit te beelden. Ik heb de kracht van kunst ook ervaren bij het beeld van verzetsstrijder Janey Tetary in Paramaribo. Het waren de artiesten die konden inbeelden: hoe had zij eruit gezien? Hoe willen wij haar uitbeelden? Wat kunnen wij van haar leren? Daarmee bouw je aan een nieuwe en gedeelde geschiedenis.’

Joost Röselaers en Kathleen Ferrier

 

Zie ook