Religie heeft een ‘huis’ nodig

Religie heeft een ‘huis’ nodig

Ons email-discussiepanel heeft deze keer van gedachten gewisseld over de vraag of religie eigenlijk een vaste, fysieke plek nodig heeft. Michel Peters ordende de veelheid aan gedachten over de stelling.

Lyrisch wordt Jan Hendriks als hij over mooie, sfeervolle kerken spreekt. ‘Kleine, middeleeuwse, romaanse kerkjes in Groningen of Frankrijk of juist die hele grote (zoals de Dom in Mainz), gotische kathedralen in Frankrijk, kerken met zo’n mooi grasveld eromheen in Engeland, 17e-eeuwse protestantse kerken (zoals de Westerkerk in Amsterdam) of de doopsgezinde en remonstrantse schuilkerken. Ja, zelfs met de grootse preekschuren van de Hersteld Hervormden die recent zijn gebouwd heb ik iets. Ik heb veel door Frankrijk gefietst en als ik dan even rust nam in zo’n oud kerkje dacht ik vaak ‘Hier woont God’.’
Jolien weet dat zo net nog niet: ‘Ik denk dat religie ook zonder vaste plek kan bestaan en bloeien. Als voorbeeld: mijn oudtante was evangeliste en trok de wereld door. De samenkomsten vonden op wisselende plekken plaats. Een aantal jaren geleden was ik verbonden aan een eetgroep met andere jongeren. We spraken daar ook bewust over geloofsthema’s en over het leven. Dat was niet door de kerk georganiseerd, niet in de kerk en toch nauw ermee verbonden.’

Woonplaats van God of huis voor de gemeenschap?
Nelleke brengt een onderscheid aan dat alle deelnemers eigenlijk maken: het gebouw als woonplaats van God en het gebouw als huis voor een religieuze gemeenschap. Zij schrijft: ‘ik vind een plek of beter een gebouw waar iedereen welkom is, ongeacht zijn situatie, heel belangrijk en onmisbaar. Wel hoor ik nogal eens van mensen dat ze niet op zondag naar de kerk gaan omdat ze God meer tegenkomen in een dennenbos of op een Alpenweitje. Nu weet ik niet zeker of ik God tegenkom in de kerk, maar wel de ander en dat brengt vaak Die Ander dichterbij.’  En met dat laatste is Jan het dan weer roerend eens: ‘Ook ik geloof dat je, zoals Nelleke het uitdrukte, de Ander kunt ontmoeten in de ander of dat ‘God gebeurt tussen mensen’ of in de natuur.’

Jazeker heeft de kerk ‘huizen’ nodig, geeft Christian aan, maar zijn motivatie is een beetje anders: ’Het gebouw is een teken in de samenleving. Door zijn aanwezigheid maakt het gebouw duidelijk: hier gaat het om God en de mensen, en om de gemeenschap van mensen. Als de gebouwen verdwijnen dan ontstaat bij toekomstige generaties de indruk dat religie, dat de kerk in de samenleving niet meer bestaat. Dat zou vreselijk zijn.’ Maar hij hecht niet aan klassieke kerkgebouwen. Ook kleine galerieën, crypten, gesprekssalons, woonkamers, therapeutische centra kunnen heel goed nieuwe huizen voor religie zijn, zolang ze maar als zodanig te herkennen zijn. Bovendien, zo zegt hij, religie en kerk krijgen niet alleen vorm door eredienst en gesprek, maar ook door diaconie en het met elkaar zoeken naar de zin van het leven.

Rachel: ‘Een geloofsgemeenschap heeft wel een huis nodig, ook al kan dat huis zeer verschillende vormen hebben. Het huis moet niet alleen de leden van die gemeenschap kunnen herbergen, maar ook als het ware een passende klankkast vormen voor het spirituele geluid van die betreffende gemeenschap. Ik denk dat daarom oude kerken en kerkjes ons zo aantrekken: omdat de spirituele erfenis van vele generaties er voelbaar (en als je boft ook hoorbaar) is.

Elke plek waar meerdere mensen in Gods geest bijeen zijn, kan zo’n huis zijn. Persoonlijk ben ik blij met de online mogelijkheden die de Remonstranten in de afgelopen maanden noodgedwongen hebben ontwikkeld. Zo kan een kerkgemeenschap opeens boven haar eigen muren worden uitgetild en wordt ze opeens veel makkelijker toegankelijk voor zoekers  ‘van buiten’. Maar de online gemeenschap kan het fysieke samenzijn niet vervangen, wel aanvullen.’

Kerk van de toekomst
Alle deelnemers zijn het er wel over eens: willen de klassieke kerkgebouwen toekomst hebben, dan moeten ze niet alleen een huis zijn, maar werkelijk een ‘thuis’ bieden aan mensen. ‘Een plaats waar men zich welkom weet, waar mensen zich thuis voelen. Zoals de kerk van St. Martin in the Fields, waar Susanne van der Sluijs in het vorige innovatienummer over sprak’, zegt Ditte. Christian spreekt over een plek die open is – ook door de week –  als levensruimte voor gesprekken, cultuur en praktische diaconie. Jan haalt met instemming Rachelle van Andel aan uit het vorige nummer van AdRem: ‘Hoe mooi zou het zijn als ik een eigen ruimte in de stad had, waar ik voor mensen een thuis kan creëren. Een eigen plek waar jong en oud zich gezien voelen […].’ Laten we om ons heen kijken en leren van initiatieven van andere kerken. En vooral: laten we vooral ook bij alle thema’s over grenzen heen kijken. Een internationale blik is absoluut nodig (Christiaan).

Iedereen heeft wel ideeën hoe zo’n fysieke plek van de toekomst eruit moet zien. Het moeten aangename ruimten zijn, waarin stilte aanwezig is. Ze mogen niet aan kantoren of wachtruimtes bij de dokter herinneren (Christian). De sfeer en inrichting moeten zich onderscheiden van het alledaagse leven. Bijvoorbeeld door het gebruik van rituele voorwerpen, zoals kaarsen, speciaal servies, een vast kleed. Daarnaast moet men in die ruimte ook stil kunnen zijn, een café valt dan al gauw af. De ruimte moet een zekere beslotenheid hebben, om de alledaagse onrust buiten de deur te kunnen houden. Tegelijkertijd moet de ruimte niet zo besloten zijn dat deze alleen aantrekkelijk is voor ‘ingewijden’. De ruimte moet herkenbaar zijn en een bepaalde huiselijkheid hebben, waardoor mensen zich er op hun gemak kunnen voelen. (Rachel) Meerdere religies moeten er een thuis hebben, interreligiositeit heeft de toekomst (Christian). Mag er ook een kruis hangen, is de dringende vraag van Nelleke.

Rachel verwoordt wellicht de conclusie van het gesprek: ‘De stenen gaan het voortbestaan van het christelijke geloof niet redden. De inspiratie en de openheid van een bevlogen gemeenschap misschien wel.’

Michel Peters

Zie ook