Thuis op straat. Interview met ds. Hanneke Allewijn
Foto: Allard Willemse

Thuis op straat. Interview met ds. Hanneke Allewijn

In de intieme Jozefkapel van het Stadsklooster in Den Haag gaat straatpastoor Hanneke Allewijn voor. Een beperkt aantal mensen kan in het schilderachtige kerkje terecht vanwege corona. De zitplaatsen die bezet mogen worden, zijn aangegeven met een hartje op papier. Geconcentreerd luisteren de aanwezigen, Hanneke staat ontspannen op de kansel en groet mensen persoonlijk. Ik hoef niet te vragen of ze zich thuis voelt in haar werk, want dat is wel duidelijk. Wanneer ze daar voor de kerk staat en ook wanneer ze over haar werk vertelt: ze straalt! Naast straatpastor is Hanneke ook predikant van de lutherse kerk in Den Haag.

Maatschappelijk werk?

‘Straatpastor en predikant? Het zijn twee verschillende banen ja, en toch ook weer niet. Ik heb één baas maar het werk kan er wel heel verschillend eruitzien. In beide gevallen ben je er voor mensen. Bij daklozen betekent het dat je soms meegaat naar het stadhuis als iemand een paspoort nodig heeft. Of je kan worden gevraagd mee te gaan naar de dokter of naar de rechtbank. Het gaat om aandacht geven in de vorm van een luisterend oor of met een helpende hand. Het kan ook een praatje zijn over koetjes en kalfjes bij de soepbus of bij het uitdelen van maaltijden. Het zijn niet altijd geloofsgesprekken. Het is belangrijk om aanwezig te zijn, beschikbaar voor mensen met een vraag.

Wat ons werk anders maakt dan bijvoorbeeld maatschappelijk werk? Misschien alleen al de term. Wij hebben het bijvoorbeeld niet over onze doelgroep, maar over onze aandachtsgroep. Het gaat om waar mensen zélf mee komen. We zijn er niet om mensen te veranderen. Ik zal je een voorbeeld geven van een foute vraag die ik eens heb gesteld. Het was winter en er liep iemand op slippers. Dus ik vroeg: ‘Is dat niet koud, heb je geen andere schoenen nodig?’ ‘Eh… nee hoor’, zei hij verrast. Toen bleek dat die man met totaal iets anders bezig was en dáárover wilde praten. Het gaat dus om de ruimte die je de ander geeft.

We hebben als straatpastoraat het geluk dat we zelf onze tijd kunnen indelen. Daardoor kunnen we langer en intensiever met iemand optrekken, iets dat in de reguliere zorg niet altijd mogelijk is. We zijn daarin ontzettend bevoorrecht. Je krijgt dan andere gesprekken, omdat je er echt voor ze bent. Zo mogen we tot twintig euro geld uitlenen. Dat wordt door mensen ook als een teken van hoop ervaren. Iemand kan geraakt zijn doordat je moeite voor hen doet.

Voor mijn werk bezoek ik de plaatsen waar deze mensen zijn, bij de inloophuizen, het Leger des Heils of Reakt (van Parnassia) waar een sociale werkplaats is. We kijken naar mensen die buiten de radar vallen. Het is een beetje surfen op de chaos, soms.
Het is ook altijd zoeken naar hoe contact te leggen. Niet jezelf willen opdringen. Er was eens een bezoeker tv aan het kijken. Die zei: ‘Ik heb geen zin in aandacht’. Dat respecteer ik. Maar als er een groepje tv kijkt, kan ik er zelf ook weleens bij gaan zitten. Op gepaste afstand. Dan kan het zijn dat zo iemand toch over iets begint. Sommigen willen eerst de kat uit de boom kijken. Dan spreken ze me pas na een paar weken aan.

Ik had ook eens een gesprek met iemand die heel verlegen was. Ik vroeg: ‘Wat betekent het nou voor jou, dit straatpastoraat’? Hij zei: ‘Dit is de kerk! Dat er nog mensen zijn die moeite voor je willen doen. Waar je nog welkom bent als je alles verpest hebt, als je nergens meer welkom bent, als iedereen de pest aan je heeft en je overal schulden en gedoe hebt’. Die man is een tijdje niet geweest. Kwam het door corona? Maar nee, het bleek dat er mensen waren die lelijk over hem spraken en hij was bang dat hij zich niet kon beheersen. Hij wilde niet vechten, zei hij, want ‘dit is de kerk!’’

Proefnummer AdRem, remonstrants magazine

Vraag nu een proefnummer aan van AdRem, het remonstrantse magazine!

Maaltijden

‘Bij het straatpastoraat hebben we een wekelijkse viering op vrijdag. Daarna wordt er gegeten. Dat is twintig jaar geleden ontstaan vanuit de gedachte dat je mensen na een viering niet met lege maag de straat op kan laten gaan of naar huis kan sturen. Voor corona uitbrak hadden we 120 mensen te eten: er werd dan een driegangenmaaltijd geserveerd in huiskamersfeer maar wel op restaurantniveau. Deze mensen zijn altijd gewend om ergens staande iets te moeten afhalen, maar hier wordt de tafel mooi gedekt en worden ze bediend. Dat is ook aandacht. Er zijn gastheren en gastvrouwen met een luisterend oor.

Bij de maaltijden is iedereen welkom. We maken geen onderscheid tussen mensen die wel een dak boven hun hoofd hebben en zij die dat niet hebben. Ook degenen met een huis kunnen eenzaam zijn of in armoede leven. Bij ons hoef je je niet te registreren of met een pasje te komen.

Door corona lag alles opeens een tijd stil. Toen hebben we bij degenen die een woning hebben 80 maaltijden in de stad rondgebracht. De mensen zonder woning konden bij ons toch nog een maaltijd afhalen aan de poort.
Het wordt allemaal geregeld door een vrijwilligerscoördinator. We hebben ongeveer 100 vrijwilligers en een fijn team. Toen alles weer wat werd versoepeld, stopten we met het rondbrengen. Sindsdien kunnen mensen maaltijden afhalen. Er is een soort parcours op een schoolplein aangebracht zodat ze niet te dicht op elkaar staan. Mensen houden zich goed aan de anderhalve meter, al missen ze de gezelligheid. Alleen de mensen die op straat leven, mogen binnen eten als ze willen.’

Geen kerk van huis uit

‘Ik kan me er zelf weleens over verbazen hoe ik in dit werk terecht ben gekomen. Ik ben tot mijn tiende met de kerk (hervormd, vrijzinnig) opgegroeid. Toen we verhuisden zijn we in de drukte vergeten om naar de kerk te gaan. Het verwaterde en we gingen al snel helemaal niet meer.

Op mijn vijftiende heb ik een ongeluk gehad waardoor ik altijd moe was en mijn leven niet goed op orde kreeg. Het waren zware jaren. Ik heb toch nog het gymnasium afgemaakt. Eigenlijk wilde ik graag naar het conservatorium, maar toen ik op mijn negentiende alsnog een jaar intern in een revalidatiecentrum zat, besloot ik theologie te gaan studeren omdat het een opleiding was met niet veel studenten en dus niet zoveel prikkels. Het leek me ook interessant, want ik was altijd veel met zingevingsvragen bezig, maar ik was niet van plan om dominee te worden.

Na de studie werd het verlangen wakker om alsnog aan het conservatorium piano te gaan studeren. Het liefste in Berlijn. Ik had een vriend die in Berlijn woonde en die stad leek me ook wel wat! Ik dacht na over hoe ik daarvoor inkomsten zou kunnen vergaren. Toen herinnerde ik me een krantenartikel dat mijn moeder twee jaar ervoor eens naar me had opgestuurd. Het was een stuk over de Nederlandse kerk in Berlijn. Ik had toen nog niets met Berlijn, was er ook nooit geweest. Ik heb contact gezocht met de predikante daar. Toen we elkaar een paar weken later ontmoetten vroeg ze me tot mijn grote verrassing of ik haar baan voor een jaar wilde overnemen! Ze ging een jaar met moederschapsverlof! Ik had drie verlangens en het is het allemaal geworden: naar Berlijn, muziek studeren en een kleine baan. Die baan bracht me naar de kerk. Zo ben ik erin gegroeid.

Ik heb nog geprobeerd om mijn vicariaat in Duitsland te doen maar dat is niet gelukt. Toen ik vlak na de afwijzing door Berlijn fietste dacht ik ineens: ‘Al word ik nooit predikant, ik zal de kerk niet meer verlaten. Ik zal de tafel dekken en koffiezetten en meedoen met de gemeente. Dat is ook goed’. Het was een soort geloofsbelijdenis.

Na zes jaar in Berlijn gewoond en gewerkt te hebben, ben ik teruggegaan naar Nederland en heb hier alsnog de master gemeentepredikant gedaan in Amsterdam. Het zijn wat omzwervingen geweest, maar ik kan me op veel plekken thuis voelen ja, zoals in Berlijn en nu in Den Haag.’

Verbinding zoeken

De lutherse kerk en het straatpastoraat zijn wel verschillend, maar ik probeer ze met elkaar te verbinden. Zo hebben we een schoenenspreekuur in de kerk in samenwerking met het straatpastoraat. Dat is ontstaan toen ik ooit door de rk-diaconie in Rotterdam werd gebeld dat ze 250 paar schoenen hadden. Er was geen plek voor bij het straatpastoraat, maar wel in de kerk. Ook vrijwilligers van de kerk hielpen mee en dat leidde tot mooie ontmoetingen, de ervaring van kerkleden dat dak- en thuislozen ook gewone mensen zijn. Dat heeft in de gemeente indruk gemaakt.

De mensen in de lutherse kerk, een streekgemeente, voelen zich thuis in de liturgie en hechten veel waarde aan het gebouw en de muziek in de eredienst. Er is veel onderlinge betrokkenheid. En eigenlijk is dat bij straatpastoraat niet anders. Daar hebben we een eenvoudige liturgie en veel ruimte voor inbreng van de mensen. Tijdens de viering gaan de pastores bij alle mensen langs en schrijven hun gebeden op. Als we de gebeden eenmaal hebben verzameld, lezen we ze voor, letterlijk. Het neemt zeker zo’n twintig minuten van de dienst in beslag. Best lang. Het is daaraan voorafgaand dan vaak een gezellige drukte, maar als de gebeden worden voorgelezen kun je een speld horen vallen. In de viering krijgen degenen die geen stem hebben, een stem. Die persoonlijke gebeden zijn het belangrijkste, zo voelen de mensen zich betrokken, bij de viering en bij elkaar. Is dat thuis? Ja, ik hoop dat we iets van warmte van een thuis daarin kunnen meegeven.’

Sylvia I. Saakes
redactie Adrem, vriend van de Remonstranten in Rotterdam

 

Zie ook