Vrede en verdraagzaamheid. Interview met Caecilia van Peski

Vrede en verdraagzaamheid. Interview met Caecilia van Peski

Voor dit kerstnummer van AdRem, wanneer we hopen op vrede en verdraagzaamheid, sprak ik Caecilia van Peski, die zich al lang bezighoudt met het verhogen van stabiliteit en bevorderen van vrede in verre buitenlanden. We ontmoetten elkaar voor het eerst toen we voor studenten in Groningen spraken over de mogelijkheid van vrede in de Kaukasus. Caecilia was net terug uit Georgië, waar ze namens de EU de situatie aan de zogenaamde Administrative Boundary Line (want een grens mocht het niet genoemd worden!) tussen Abchazië en Georgië had waargenomen. Tot onze verbazing bleken we beiden remonstrant te zijn, en de volgende dag bezochten we de remonstrantse kerk aan de Coehoornsingel in Groningen, waar de vader van Caecilia in de jaren ’50 predikant was geweest.

In 2010 werd Caecilia namens de Nederlandse regering uitgezonden naar de Verenigde Naties in New York om de Algemene Vergadering toe te spreken over de noodzaak om meer vrouwen te betrekken bij democratische besluitvormingsprocessen rond vrede en veiligheid. Dit jaar is het twintig jaar geleden dat de VN Veiligheidsraad zich committeerde aan het verbeteren van veiligheid voor vrouwen in conflictgebieden (UN Women, Peace, Security), en zijn er nog altijd meer vrouwelijke blauwhelmen nodig aan het (vredes-)front. Aan de vooravond van de 75e verjaardag van de Verenigde Naties spraken we elkaar telefonisch, in een lijn van Leiden naar Kabul, Afghanistan.

Wat beweegt je om je in te zetten voor vrede in de wereld?
‘Voor mij is dat het zoeken naar een invulling van mijn leven, het leven geleefd willen hebben. Ik heb geen kinderen, geen vaste partner, dus ik kan het me ook veroorloven me in te zetten voor de vrede en veiligheid van anderen. Voor mensen met een gezin is dat denk ik toch moeilijker. Het leven heeft mij de vrijheid gegeven en ik neem die ook. Ik zie hoe belangrijk het nastreven van meer gelijkheid in de wereld is en wil daar mijn bijdrage aan leveren. Verschillen in welvaart zijn groot, en een organisatie als de VN draagt bij aan een beleid om daar een meer rechtvaardige verdeling in te vinden. Daarom zet ik me ook in voor de Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties. Ik zie de VN als een wereldwijde parlementaire regering. Dit in tegenstelling tot de wereldfederalisten, die meer zien in een Verenigde Staten van de Wereld.’

Oost west, thuis best
‘Een deel van mijn motivatie is de wens vredeswerk te doen. Hoewel ik uit een veilige regio kom, ik ben opgegroeid in Nederland en Zwitserland en heb een veilige jeugd gehad, is juist werk in een regio als de Kaukasus waardevol. Als je de huizen op het platteland in Georgië ziet, dicht bij de afgescheiden gebieden… Vroeger waren die huizen mooi ingericht. Dat kun je nog steeds zien, maar alles is in verval geraakt, omdat er dreiging is van binnen en van buiten. Het kan ons ook overkomen, het kan ook ons ontvallen. In termen van Freud gaat het denk ik om een angst ook in mijzelf, een angst om de wereld die ik ken en lief heb te verliezen. Ik ben erg gehecht aan thuis. Heb al jaren hetzelfde huis in Nederland, ook al leef en werk ik vaak in het buitenland. Ik heb altijd m’n huis behouden, ben thuis op één plek.’

Speelt het remonstrants geloof een rol in je werk en leven? Je zet je al jaren in voor vrede in het buitenland, bent met kerst niet thuis. Hoe is dat?
‘In Nederland zit ik in een groep die zich sterk maakt voor wereldburgerschap. Hier houd ik me al sinds de eeuwwisseling mee bezig. Ik ben van oorsprong ontwikkelingspsycholoog. Als je een kind vraagt om de situatie om haar of hem heen te beschrijven, zal het kind altijd beginnen met het beschrijven van zijn of haar eigen kamer, gevolgd door het eigen huis, de eigen tuin en straat. In tweede instantie zal het kind de wereld beschrijven, met haar zeeën en continenten, wolken en dieren. Pas in laatste instantie volgt dan het land waarin het kind woont. De volgorde is dus huis-wereld-Nederland. Dat vind ik heel mooi. Ik denk liever niet in natiestaten, maar in grotere gehelen, een wereld die één is en samenwerkt.’

Wat betekent geloof voor je?
‘Ik zie de kerk als een instituut, en ook als onderdeel van het beroep van mijn vader. Er is in die zin weinig mysterieus aan. Mijn vader was remonstrants predikant. Op zaterdagavond, vaak pas laat, zat hij achter zijn typemachine zijn preken te schrijven. Op zondag bleven wij als laatsten achter in de kerk, totdat mijn vader iedereen de hand had geschud en het geld uit de collecte was geteld. In de Johanneskerk in Amersfoort herinner ik mij een grabbelton voor de kinderen van de zondagschool. Wie de leukste tekening had gemaakt, mocht grabbelen. Omdat mijn zus en ik als laatsten in de kerk achterbleven, keken we wel eens wat er in de grabbelton zat. Als we een pakje mooi vonden, zetten we er met een pen een tekentje op, zodat we het zouden herkennen bij de volgende grabbelronde. Er hing ook een metalen bol, de collectezak. We hadden als kinderen een magneet aan een draadje en hebben er eens zo wat munten uit gevist, die ons zakgeld aanvulden. Dat is maar één keer voorgekomen, maar ik herinner het me wel. Lekker stout, we hadden veel lol.’

‘Ik voel me thuis bij de Remonstranten, we zijn open naar iedereen, maar toch ook besloten, we horen bij elkaar. Het voelt als een familie. Ik luister graag naar Koen Holtzapffel en Tjaard Barnard. Soms ga ik vaker naar de kerk, soms minder. Ik krijg de zegen voordat ik op missie ga. Als remonstrant vind ik het moeilijk om in den vreemde een dienst te vinden die voldoende diepgang heeft en aanspreekt. Het betekent veel voor me, religie en spiritualiteit. Ik weet niet wat er is, voel me een agnost, maar ik heb grote hoop dat het goddelijke er is. Dat er meer is dan dit leven vind ik heel aannemelijk.’

Vanwaar jouw betrokkenheid bij je werk?
‘Naarmate ik ouder word realiseer ik me steeds meer hoe bijzonder het vrijzinnig predikantenmilieu was waarin ik opgroeide. Mijn vader stond midden in de gemeente, en wij dus ook. Mijn vader had een grote gemeente, en we zijn vaak verhuisd. Hij heeft in Alkmaar gestaan, in Groningen en in Friedrichstadt (Duitsland), in Breda, Thusis (Zwitserland), Amersfoort en Tilburg. Hij had in de VS gestudeerd, aan het Union Theological Seminary dat aan Columbia University in New York verbonden is. Daar was men vooral toen heel vooruitstrevend in haar theologische opvattingen. Hij ging naar de Riverside Church, opgericht door de Rockefeller familie. Het leek op de Remonstranten, ook zij zegenen huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht in. In de jaren zestig, toen mijn vader daar zat, preekte dr. King er. Harlem lag er niet ver van af, en mijn vader heeft dr. King ontmoet en meegelopen met de Freedom March in Washington. Het was niet voor de hand liggend dat er blanke mensen meeliepen en ook wel gevaarlijk. Mijn vader was niet echt een activist, eerder een schrijver. Hij gaf om het socialisme, en schreef zijn proefschrift over de diaconie in de wereld. Eigenlijk ging het om sustainable development goals, maar dan in de jaren ‘60.

Je vroeg me wat religie voor mij betekent. Ik kom geregeld in Israël, waar ik een dorp ondersteun waar Israëlische Joden en Israëlische Arabieren samenwonen. Zij doen dat niet noodgedwongen, maar omdat ze samen willen leven, in vrede en in gelijkwaardigheid met elkaar. Wanneer ik dan in Jeruzalem ben en m’n hand op het graf van Christus kan leggen voelt dat heel bijzonder. Maakt niet uit of dat nu werkelijk het graf is, of niet. Ik hou ook van de spiritualiteit van de natuur. In Israël voel ik dat specifiek, omdat er zoveel geloven samenkomen, al zo veel eeuwenlang.

In de basis voel ik me thuis bij de Remonstranten, al ben ik het niet altijd met ze eens. Dat hoeft ook niet. Ik vind de Arminiuskerk mooi, zeker met het nieuwe sierhek. Het voelt er als thuiskomen.

Charlotte Hille
redactie AdRem, universitair docent ‘Political Economy and Transnational Governance’ aan de Universiteit van Amsterdam

Zie ook