Wij doen juist niet
Foto: Adobe Stock

Wij doen juist niet

Engelien Hulsman is geestelijk verzorger in Meander MC in Amersfoort. In coronatijden had ze het drukker dan ooit met patiënten en medewerkers.

Of ik toevallig een verpleegkundige achtergrond had, vroeg mijn leidinggevende. Ik schoot in de lach, haar vraag verraste me. ‘Nee’, zei ik, ‘dát heb ik niet te bieden’. ‘Dat dacht ik al’, zei ze, ‘maar ik moet het iedereen vragen want alle handen aan het bed zijn nu nodig’.

Het was maart. In het ziekenhuis waar ik geestelijk verzorger ben, lag op dat moment één covid-patiënt, maar het was duidelijk dat het daar niet bij zou blijven. Corona stond voor de deur. En al wist niemand wat ons precies te wachten stond, het ziekenhuis bereidde zich in hoog tempo voor op wat zou kunnen komen. Er werden speciale verpleegafdelingen ingericht voor covid-patiënten. Er werden teams van artsen en verpleegkundigen samengesteld die daar konden werken. De intensive care werd uitgebreid met extra bedden. Afspraken en behandelingen die niet heel dringend waren, werden uitgesteld. En er werd gekeken hoe de medewerkers van het ziekenhuis het beste ingezet konden worden. Wie was hard nodig in haar eigen functie, en wie kon tijdelijk zijn eigen werk niet doen maar zich juist ergens anders heel nuttig maken?

Hebben wij een rol in coronatijd?
Over dat laatste dacht dus ook mijn leidinggevende na. Haar vraag had mij aan het denken gezet en een paar dagen later gaf ik een zorgvuldiger antwoord. Ik vertelde dat ik bereid was om alles te doen wat in deze situatie nodig was, of dat nu het afbellen van poliklinische patiënten of het rondbrengen van koffie was, maar dat ik het liefste ook in coronatijd wilde doen wat mijn vak is en waar ik goed in ben. Dat ik heel graag ook nu geestelijk verzorger wilde zijn. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar aanvankelijk was het nog maar de vraag of het zou kunnen. Er was nog zo weinig bekend over corona dat het besmettingsgevaar niet goed ingeschat kon worden, bovendien was er een tekort aan beschermende middelen. Alleen de meest noodzakelijke zorgverleners werden daarom bij covid-patiënten toegelaten. Was geestelijke verzorging zo noodzakelijk? Hadden wij een rol in deze coronatijd?

Topdrukte
Terwijl wij daar zelf nog over nadachten, waren anderen er al uit. Afdelingen begonnen ons te bellen. Eerst voor de begeleiding van patiënten, maar al snel overheerste de vraag of we iets konden betekenen voor medewerkers. De zorg voor covid-patiënten was bijzonder en zwaar voor verpleegkundigen, wilden we hen daarin ondersteunen? Kon er bijvoorbeeld een geestelijk verzorger bij het teamoverleg aanwezig zijn? Wilde iemand van ons aansluiten bij het overdrachtsmoment in de middag? Kon er iemand van ons bij de dagevaluatie komen? Ons antwoord was altijd ja. We keken wie van ons op dat moment beschikbaar was om aan te schuiven in teampost of vergaderruimte.  We zagen dan hoe het op de afdeling was, we hoorden wat medewerkers meemaakten, we luisterden naar hun verhalen, we stelden af en toe een vraag en we leefden mee. Net toen het aantal vragen om ondersteuning ons boven het hoofd dreigde te groeien, besloot het ziekenhuis om officieel een Mental Support Team (MST) te vormen. Vanaf dat moment deden ook de medisch psychologen en maatschappelijk werkers mee in de rondes door het ziekenhuis. Het uitgangspunt van het MST was steeds: anderen zijn de doeners, wij doen juist niet. We zijn er.

Welkom
Het waren volle dagen. We liepen van verpleegafdeling naar spoedeisende hulp naar intensive care en weer terug. We gingen de geïsoleerde afdelingen op, afgesloten van de rest van het ziekenhuis, waar medewerkers gehuld in beschermende kleding keihard werkten om voor patiënten te zorgen van wie niemand eigenlijk nog goed wist wat ze meemaakten. We zagen hun schrik bij het vaak grillige beloop van de ziekte. We hoorden hun verdriet als een patiënt die nog zo goed leek, heel snel achteruitging en overleed. We zagen de eenzaamheid van patiënten die geen bezoek konden ontvangen en de machteloosheid van medewerkers die zagen hoe ze daaronder leden. We hoorden hoe het medewerkers soms te veel werd, bij het zoveelste plotselinge overlijden op de afdeling of bij het zien van de tranen van familieleden die alleen op afstand, via Skype, met hun geliefde konden praten. Als geestelijk verzorgers waren we aanvankelijk heel bescheiden. Liepen we niet in de weg op die afdelingen waar iedereen zo hard aan het werk was? Zaten ze wel op ons te wachten? Geleidelijk aan werd dat minder, omdat we merkten hoe welkom we waren. Het feit dat we er waren, dat we zagen wat er gebeurde, dat we meeleefden met wat moeilijk en wat mooi was, dat we open luisterden naar de verhalen en oog hadden voor de zorgen, deed mensen goed.

Terug naar normaal
De echte piek van de coronacrisis duurde gelukkig maar een paar weken. Geleidelijk aan ging het ziekenhuis vanuit de crisisstand weer over naar een min of meer normale situatie. Dat was maar goed ook. Het was een extreme tijd, voor artsen en verpleegkundigen maar ook voor geestelijk verzorgers. Soms vroeg ik me ’s avonds thuis wel eens af waar ik toch zo moe van was. Ik deed toch eigenlijk niet zoveel? Ik hoefde er toch alleen maar te zijn? Maar juist dat – aanwezig zijn en blijven in een moeilijke situatie – vroeg om intensieve aandacht en opperste concentratie.

 Als het nodig was geweest, had ik me in de coronatijd graag nuttig gemaakt als telefoniste of als koffiejuffrouw. Als ik maar iets kon doen. Ik ben uiteindelijk heel blij dat het ziekenhuis ons als geestelijk verzorgers juist vroeg om te doen wat we altijd doen: om er te zijn. Dat betekent dat het er hier toe doet dat mensen gezien en gehoord worden.

Engelien Hulsman
Geestelijk verzorger in Meander Medisch Centrum in Amersfoort

Zie ook