Zoeken in taal  #watisgeloven?
Afbeelding: Marjorie Specht

Zoeken in taal #watisgeloven?

Johan Goud schrijft in AdRem een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. Vandaag deel 4.

In de artikelen die ik tot nu toe schreef, draaide het steeds om taal. Ze gingen immers over de eerste zinnen, over het woord genade en wat dat betekent, en over ons leven als tragikomedie. Dat lijkt onontkoombaar. Zonder woorden en zinnen gaat het niet. Taal is nu eenmaal ons meest nauwkeurige, of beter: ons minst onnauwkeurige medium, in het bijzonder wanneer we iets willen duidelijk maken over onszelf en ons geloof. Daar komt bij dat ook geloofstradities uit verhalen en reflecties op die verhalen bestaan – uit taal dus. Gelovigen zijn lezers, zoekers in taal.

Velen ergeren zich aan de onontkoombaarheid van taal. Want het is alsof al wat bestaat zich daardoor samentrekt in onze hersens en onze stem, dus in wat wijzelf – zo toevallig als we zijn – kunnen denken en zeggen. Voor de realiteit van al het andere lijkt geen ruimte over te blijven. Orthodoxen vrezen een ondermijning van de absolute Waarheid, evangelicalen menen dat hun directe contact met Gods geest deze gedachten weerlegt.  Wie zal het zeggen? Zeker is, dat niets van wat we ervaren of menen te weten, aan de moeilijk te ontrafelen wisselwerking met jouzelf ontsnapt (je hersens, stem, opvoeding, cultuur). Psalm 19 zingt hoe het uitspansel, de dag en de nacht God prijzen, met ‘een spraak zonder klank’. ‘Over heel de aarde gaat hun stem, tot aan het einde van de wereld hun taal’ – maar het is aan de psalmdichter te danken dat die klankloze taal hoorbaar is gebleven, ook voor wie tientallen eeuwen later zijn lied leest of zingt.

Alles begint bij het lied
Taal is er in vele soorten, maar dichterlijke taal is een geval apart. Het is niet toevallig dat ik een psalm aanhaal. Psalmen vertellen geen geschiedverhaal en zijn geen verhandeling over de zin van alle dingen. Ze zijn persoonlijke getuigenissen van tientallen eeuwen her. Ik denk dat als het om geloofsexpressie gaat alles daar begint en eindigt: in de poëzie van het lied. Dogma’s en theologie zijn gekortwiekte liturgie, schreef de filosoof Van Peursen (in zijn nog altijd lezenswaardige ‘Hij is het weer! Beschouwingen over de betekenis van het woordje ‘God’’, Kampen z.j., p.63). Als het goed is, klinkt die musische oorsprong door in de vorm en inhoud van ons verdere spreken over God.

Intellect geen alleenrecht bij poëzie
Bij de poëzie beginnen heeft een tweede consequentie. In de kerkelijke traditie kreeg de bijbel altijd een eerste plaats toebedeeld, meestal met uitsluiting van mededingers naar de waarheid. ‘Voor de Schrift maak ik natuurlijk een uitzondering’, zei de door Multatuli gecreëerde calvinist Droogstoppel, nadat hij alle dichters gediskwalificeerd had. Op zijn manier voelde hij het risico van poëzie, inclusief die van de bijbel, haarscherp aan. Ze lokt ons naar een gebied van beelden en mythen, waar het intellect geen alleenrecht meer heeft. Een geheimzinnig gebied, waarin het ene beeld naar het andere verwijst. Een onzeker gebied ook: waarheden laten zich hier niet eenduidig definiëren, maar zijn op talloze manieren te interpreteren. In de allerhoogste mate geldt dat wel voor de alles samennemende notie ‘God’.

Spreken over God is gekortwiekte poëzie
Wie de betekenis van dit woord ondogmatisch onderzoekt, belandt hoogstwaarschijnlijk in de oneindige ‘bibliotheek van Babel’, die alle denkbare boeken omvat. Jorge Luis Borges schreef er een beroemd verhaal over. Mogelijk staat daar op een of andere plank een ‘totaalboek’. ‘Ik smeek de onbekende goden dat een mens – één maar, al is het duizenden jaren geleden! – het moge hebben bestudeerd en gelezen. Als die eer, die wijsheid, dat geluk niet voor mij zijn weggelegd, laat ze het dan voor anderen zijn (J.L.Borges, ‘De verhalen’, Amsterdam-Antwerpen 2016, p.161).
Een bijbellezer móet hierbij wel denken aan de van zeven zegels voorziene boekrol in Openbaring 5. Aanvankelijk kon niemand hem openen en lezen. ‘Ik weende zeer’, schrijft de ziener Johannes. Maar zijn visioen hield daar niet op. Een onooglijk Lam, dat eruitzag alsof het geslacht was, bleek in staat de zegels te verbreken.

Eigen stem vinden
Ons spreken over God (onze theo-logie) is gekortwiekte poëzie en bestaat uit een meervoud van invallen en vermoedens. Ik voeg een derde kenmerk toe. Wie zich in dit gebied van de dichterlijke verbeelding begeeft, zal zijn of haar eigen stem moeten vinden. Gemakkelijk is dat niet. Het is lastig om dode beeldspraak achter je te laten, nieuwe taal te ontdekken en authentiek te worden – maar met minder dan dat kan een dichter geen genoegen nemen.

Ditzelfde geldt voor iedere theo-loog in de ruimste zin van het woord.  Want alleen zo kan ‘God’ een woord van vrijheid en bevrijding worden. Was het maar zo dat godshuizen overal ter wereld aan die talloze eigen stemmen – als op hun eigen manier oneindige bibliotheken – ruimte konden geven. Ik houd ervan om de slotzin van de evangelieschrijver Johannes in deze geest uit te leggen. Mijn stem heeft nu geklonken, schrijft hij daar, dit kleine boekje is het resultaat. Maar als omtrent Jezus alles van waarde opgeschreven werd, ‘zou de wereld te klein zijn voor de boeken die geschreven moesten worden.’

Leessuggesties:
Pascal Mercier, ‘Het gewicht van de woorden’, Amsterdam 2020
Willem Jan Otten, ‘Waarom komt U ons hinderen’, Amsterdam 2006

Zie ook