Zonder inkeer gaat het niet

Zonder inkeer gaat het niet

Yvonne Hiemstra doet onderzoek naar vrijzinnigheid, de omgang met rituelen en welke rol geloofservaring nog speelt. Zij stuitte daarbij op prof. Bert van Holk die schrijft over geloofservaring en rituelen. Met dank aan Marius van Leeuwen.

‘Wat is een norm zonder vorm?’ Deze vraag stelde hoogleraar en remonstrants predikant Lambertus Jacobus (Bert) van Holk (1893-1982) aan zijn mederemonstranten en collega- predikanten. Hij groeide op binnen de Nederlandse Hervormde Kerk en kwam in zijn jeugd in aanraking met onder meer de Vrije Gemeente te Amsterdam. Deze gemeente werd in 1877 in Amsterdam gesticht door de gebroeders Reinhard (1821-1889) en Herman (1834-1911) Hugenholtz. Zij probeerden het modern-theologische gedachtengoed, zoals dat in de negentiende eeuw in Nederland voet aan de grond kreeg, consequent te vertalen naar de geloofspraktijk. Zo wilden ze geen kerk zijn maar een vereniging, stonden ze open voor andere levensbeschouwelijke wijsheden en, heel opvallend, ze schaften doop en avondmaal af. In hun ogen waren deze kerkelijke rituelen verouderd en niet meer relevant voor de actuele geloofspraktijk. Ook waren ze in hun ogen onverenigbaar met nieuw verworven bijbelwetenschappelijke inzichten. Met name de historische onderbouwing dat Jezus deze vormen zelf zou hebben ingesteld, werd door hen in twijfel getrokken. Zij achtten een zedelijke levenswandel van hoger waarde dan het zoeken naar historische argumenten waar het bewijs niet voor kon worden geleverd.

Zedelijk geloofsleven

Die nadruk op een zedelijk geloofsleven proeven we ook bij Van Holk. Als theoloog doordacht hij theologische concepten, maar hij hield hierbij sterk oog voor de meer gevoelsmatige en ervaringsgerichte kant van het geloof. In zijn werkzame leven toonde hij zich strijdbaar. De inkeer naar binnen lag echter aan de basis van zijn geloof en zijn handelen. Zo tekende Van Holk in 1934 reeds protest aan tegen het opkomende nationaalsocialisme dat hij als ‘antichristelijk’ kwalificeerde. Toen de Tweede Wereldoorlog een feit was, hield Van Holk op de beruchte 26 november 1940, toen joodse hoogleraren in Nederland werden ontslagen, in Leiden een protestcollege. Hij sprak over Spinoza en over de rijkdom van de joodse bijdragen aan de Nederlandse cultuur. De anti-Duitse houding van Van Holk leidde er uiteindelijk toe dat hij op 30 mei 1942 zou besluiten zijn ontslag als hoogleraar in te dienen. Dit kon echter niet voorkomen dat Van Holk gevangen werd gezet in de gijzelingskampen Haren en Beekvliet (Sint-Michielsgestel). Daar raakte hij via medegijzelaars vertrouwd met de gebruiken en riten van de Rooms-Katholieke Kerk die zijn belangstelling wekten.

Gevoel en verinnerlijking

Volgens Van Holk kon geloof niet zonder gevoel en verinnerlijking. Geloofservaringen zoeken naar vormen om tot uitdrukking te kunnen komen zodat ze vervolgens geïnternaliseerd kunnen worden. De mens was in zijn optiek een ritueel wezen en kende een natuurlijke behoefte het geloof door middel van handelingen te delen met anderen. Vanuit deze visie hield Van Holk in ‘De goddelijke offerande’ (1939) een pleidooi voor het avondmaal omdat hij van mening was dat dit kerkelijk ritueel binnen remonstrantse kringen werd veronachtzaamd. Hij zag de liturgische maaltijd als bezinning op wat hij omschreef als het ‘hart en diepte’ van het christelijk geloof. Hoewel zijn belangstelling voor het avondmaal algemeen bekend is, geldt dit niet voor zijn inspanningen een oecumenische rozenkrans te ontwerpen.

Vormen die het geloof inhoud en richting geven

Van Holk wilde ten tijde van de Tweede Wereldoorlog vrienden zowel buiten als binnen het kamp helpen bij hun zoeken naar versterking van het geestelijk leven, opdat zij in een donkere tijd overeind bleven. Zo ontwierp Van Holk zijn ‘Geestelijke oefeningen, een handleiding voor het innerlijk leven’. Volgens Van Holk ontbrak het protestanten, zeker vrijzinnige, vaak aan vaste, vertrouwde vormen, die het geloof inhoud en richting kunnen geven. Van Holk zocht niet zozeer naar een kopie of imitatie van de rooms-katholieke rozenkrans. Hij zocht veeleer naar een ritme, een gebruik waardoor een inwaardse, comtemplatieve beweging zou kunnen worden versterkt. Zo probeerde Van Holk een instrument aan te reiken dat zou kunnen helpen de evangelische boodschap te verinnerlijken. Hij dacht aan zeven kringen van betekenis: 1) de kerstkring; Jezus’ geboorte; 2) verhalen over zijn jeugd en zijn werk in Galilea; 3) verhalen die Jezus vertelde (gelijkenissen); 4) tekens die hij deed; wonderen; 5) zijn lijden; 6) de paaskring; opstanding; 7) de pinksterkring; hoe zijn boodschap zich verbreidde. In elk van deze kringen worden zeven typerende daden, gebeurtenissen, uitspraken of gedachten onderscheiden. Zo ontstaat een netwerk van 7×7 korte vertelsels. Van Holk stelde voor elke reeks af te sluiten met een vaste bijbeltekst: de Zaligsprekingen.

Rituele armoede tegengaan

Zo probeerde hij een middenweg te vinden tussen de rituele armoede van het (vrijzinnig) protestantisme en het soms als automatisme ogende gebedsmechanisme van de Rooms-Katholieke Kerk. Voor Van Holk was de vorm onlosmakelijk verbonden met de geloofsinhoud. Voor hem waren kerkelijke rituelen geen bijkomstigheden, maar drukten zij iets wezenlijks uit. Hij staarde zich hierbij niet blind op de vorm zelf, maar vroeg zich altijd af welke betekenis schuilging achter de uiterlijke kenmerken van het ritueel. Zijn ontwerpen hebben geen navolging gekregen. Wellicht waren ze voor velen te ‘hoog gegrepen’. Toch is de vraag welke vrijzinnige waarden de moeite waard zijn de toekomst in te dragen en welke rol de eigen (geloofs)ervaringen hierbij kunnen spelen, relevanter dan ooit. Het kan geen kwaad ons af en toe, als proces van inkeer, te bezinnen op onze vrijzinnige wortels en te rade te gaan bij wat onze eigen remonstrantse traditie ons biedt.

Yvonne Hiemstra

 

 

 

Zie ook