
De aarde zit tegen een burn-out aan. Dat is de boodschap van een oud symbool van de milieu- of klimaatbeweging: de aardbol als een kaars die langzaam opbrandt. Het appèl is duidelijk: Denk bij productie en consumptie niet, dat het niet op kan. Het kan wel degelijk op. De aarde kan opraken. En we zijn hard bezig dat doel te bereiken. Onbedoeld suggereert het beeld nog iets anders: de aarde is was in onze handen. Ze is kwetsbaar en moet worden gekoesterd. Moeder aarde mag door ons niet stiefmoederlijk worden behandeld.
De ongerustheid over de kwetsbaarheid van de aarde gaat verder terug dan de jaren zeventig, toen de milieubeweging opkwam. Kort na de Tweede Wereldoorlog bleek al dat de aarde aan een zijden draad hing. De toenmalige wereldmachten beschikten over een wapen dat het voortbestaan van de aarde bedreigde: de atoombom. De onrust daarover is volop terug. Daarom werd er in mij een snaar geraakt, toen ik een gedicht van Ingeborg Bachmann uit de jaren vijftig herlas met de titel Vrijgeleide (Freies Geleit).
Het gedicht bezingt hoe elke dag opnieuw de zon opgaat en de wereld ontwaakt. Mens en natuur gaan daarbij hand in hand. De eerste regels zijn een euforische binnenkomer: Met slaapdronken vogels en verwaaide bomen staat de dag op en de zee stort een schuimende beker op hem uit. Op het oog is Vrijgeleide een naïef natuur-romantisch gedicht – en bovendien redelijk toegankelijk voor Bachmann. Bij nader inzien is het echter een gelaagde tekst waarin de hele literatuurgeschiedenis meeklinkt. Een eerste associatie is bijvoorbeeld die met Psalm 104, die bekend staat als de scheppingspsalm.
Het gedicht krijgt bovendien een sombere slagschaduw als wordt gezegd, dat de aarde zich verzet tegen de rokende paddenstoel, een verwijzing naar de atoomboom. Het gedicht is echter niet fatalistisch. Benadrukt wordt de ongebroken levenswil van de aarde, een levenswil die ze met ons mensen deelt: Met ons mensen wil ze de veelkleurige broeders en de grijze zusters zien ontwaken: koning vis, hoogheid nachtegaal en vuurkoning salamander.
De gelaagdheid van het gedicht komt heel goed tot uitdrukking in de laatste regels. De aarde wil elke dag uit de nacht een vrijgeleide naar het heelal, opdat het nog duizend en één keer ochtend wordt. De goede verstaander ziet hier Sjeherazade voor het geestesoog, die elke ochtend opnieuw wakker wordt met een zucht van verlichting, omdat ze de nacht heeft overleefd en een weerwoord heeft gehad tegen de stemmen des verderfs.
Bachmann lijkt zelfs Augustinus te citeren, als ze in de slotregel zegt, dat het iedere keer ochtend kan worden bij de jonge gratie (genade) van de oude schoonheid. Niet alleen de oude schoonheid herinnert aan de Belijdenissen van oude Augustinus, maar ook de benadrukking van de genade, waarop de aarde is aangewezen: niet alleen op Gods genade, maar ook op die van ons. In haar kwetsbaarheid is de aarde als was in onze handen. Wij zijn zelf de zijden draad, waaraan ze hangt.
Gelukkig voor ons remonstranten heeft de genade hier als keerzijde de menselijke verantwoordelijkheid. Nou ja, gelukkig?
Eric Corsius
Vriend bij de Remonstrantse Gemeente Eindhoven
Lees nu het gedicht Freies Geleit van Ingeborg Bachmann.


Paul Cliteur vertegenwoordigt in deze discussie een duidelijk tegengeluid. Hij heeft kritiek op teveel gegraaf in het verleden. ‘Een natie kan alleen voortbestaan als mensen vroegere conflicten kunnen vergeten.’.. Lees verder

Ava (1993) is geboren op een boerderij in Urmia, een Koerdische stad in Iran. Sinds 2018 woont ze in Nederland. Ze is hier ‘illegaal’… Lees verder