
Als kleine jongen in de kerkdienst vond ik het een wonder dat de dominee (en mijn eigen vader nog wel) bij aanvang van de dienst beneden stond en bij de preek opeens op de kansel. Me concentrerend op de moeilijke tekst en het orgelspel van het gezang, zag ik hem niet de kansel op gaan.
In Amsterdam heeft een dominee geen prominente plaats en daardoor werd ik er niet vaak op aangesproken. Ja, wel toen de bal door de ruit van de buurvrouw ging: en dat voor kinderen van een dominee klonk het afkeurend, wat aan het avondeten tot enige hilariteit leidde. Ik had in de klas vier domineeskinderen van verschillende kerken, niets bijzonders dus. Ik geloof ook niet dat ik me vanwege mijn vaders beroep anders heb – dan wel moest – gedragen dan andere kinderen.
Landelijk actief
Mijn vader was ds. Johannes Jacobus (Hans) van Hille (1915-1983). Hij deed, naast zijn werk in de kerkgemeente en als studentenpredikant, in en buiten Amsterdam wel van zich horen: hij zette zich energiek in voor de oecumene, was meerdere perioden hoofdredacteur van het landelijke Remonstrantsche Week(!)blad, organiseerde, soms samen met collega’s, vele stedelijke en landelijke gespreksgroepen, onder andere op de Hoorneboeg, en hield overdenkingen op radio en tv en in de NRC.
Dit had natuurlijk zijn prijs: een niet gering deel van de opvoeding van de kinderen kwam op de schouders van mijn moeder terecht. Dat was niet abnormaal in de jaren vijftig en zestig, maar mijn moeder vond het niet fijn dat de kinderen vaak op de tweede plaats kwamen. Ik was mij bewust van de plek die de kerk in ons gezin innam, maar ik heb niet het idee dat dat bij mij een grote rol speelde.
Onze ouders drongen er niet op aan dat wij op zondag naar de kerk gingen, behalve op kerkelijke feestdagen. Op verteluur ben ik niet geweest, maar ik had wel catechisatie van mijn vader. Het voelde alsof je bij je vader in de klas zat, daar heb ik geen goede herinneringen aan. Ik was mij er daar echt van bewust de domineeszoon te zijn en kon de rollen van vader en van dominee niet scheiden. Het vormde een barrière om onbevangen mee te praten terwijl er wel actuele maatschappelijke onderwerpen werden besproken. Van de behoefte om te worden aangenomen, was bij mij geen sprake. Toen ik ging studeren en op kamers ging heb ik de kerk achter me gelaten.

Vader en dominee
Er zijn een paar momenten waarvan ik zelf denk dat de (remonstrantse) dominee ook aan het woord was. Toen ik eens in een luie bui zei dat een verloren moment in het licht van de eeuwigheid niet zoveel uitmaakte, wees hij me er boos op dat het hier en nu moet gebeuren en het maar afwachten is of er een eeuwigheid zal zijn. In een gesprek over piercings en tattoos (vijftig jaar geleden dus), gaf hij aan die te beschouwen als mutilering van ons door God gegeven lichaam. Die zienswijze op bewuste zelfverminking deel ik, ook als je niet in God gelooft. Toen ik vast zat in mijn studie, dacht mijn vader mij in zijn rol als studentenpredikant te kunnen helpen. Volgens mijn moeder waren die rollen in geval van zijn eigen kind niet te scheiden. Hoewel ik denk dat zij daarin gelijk had, heeft het me toch wel geholpen om mijn opleiding af te maken én, heel belangrijk, om hem beter te begrijpen, als vader en als dominee.
Kunst en cultuur
Een grotere invloed op mij dan de kerk, had de culturele bagage die mijn ouders ons hebben meegegeven. Mijn ouders deelden de liefde voor klassieke muziek, literatuur en beeldende kunst en brachten die liefde ook aan ons over. Daar heb ik nog steeds plezier van. Als groot liefhebber van toneel organiseerde mijn vader in de kerk ook een aantal keren toneelspelen zoals b.v. Jozef en de broeders. Hij werd in Rotterdam uitgenodigd om een toneelvoorstelling te verzorgen bij het 300-jarig bestaan van het college van collectanten. Door zijn toneelervaring werd hij gevraagd om in de jury van de toneelprijzen zitting te nemen. Regelmatig werden wij meegenomen naar de Stadsschouwburg.
Terug in de kerk
Toen ik eind jaren negentig samen met mijn vrouw Sity, die van gereformeerde huize was, mijn rentree maakte in de remonstrantse kerk, nu in Rotterdam, waren er nog heel wat mensen die mijn vader hadden gekend. Ik was opeens wel een tijdje domineeskind, de zoon van. Het duurde even voordat ik in de gemeente zelf iemand was.
Domineeskind of kind van een dominee?
Domineeskind beschouw ik als een stempel. Ik ben kind van een dominee zoals anderen kind zijn van een fietsenmaker, verpleegkundige of jurist. Ik ben trots op wat mijn vader voor de Remonstranten heeft betekend. Dankbaar kind ben ik van mijn beide ouders.
Titus van Hille (1953)
Vriend van de Remonstrantse Gemeente Rotterdam
Ds. Hans van Hille (1915-1983) was remonstrants predikant te Den Haag (1943-1948), Banka (Indische kerk, 1948-1950), Haarlem (1950-1956) en Amsterdam (1956-1977). In 1980 ging hij met emeritaat.

– Genesis 2: 7 en 3: 7-10 (vrije vertaling Petra Galama)Zo vormt de Eeuwige de mens,uit de klei van de aardeen blaast in onze neusgatenadem van leven. Dan gaan de.. Lees verder

‘Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten’, zo begint een gedicht van Henriëtte Roland Holst. Het ‘dadenrijke wachten’ noemt zij het een paar regels verder… Lees verder