
We spreken Harrie de Pater (81) in de kerk waar hij nog steeds de sleutel van beheert en waar hij al zijn hele leven komt, aan de Dorpsstraat in Nieuwkoop. Zoals het een remonstrantse kerk betaamt, staat deze achter de rooilijn, als indertijd door de overheid gedoogde schuilkerk. In zijn jeugd waren er, in dit kerngebied van de Remonstranten, nog honderden leden, nu zijn het er 65 en die zijn bijna allemaal op leeftijd. Het gesprek komt ten slotte dus ook op de moeilijkheid om nog iemand te vinden om het stokje aan door te geven. Het is een hete aardappel geworden. Dat was in 1964 wel anders, vertelt De Pater aan Willem van Reijendam.
‘Op mijn negentiende ben ik als tegenkandidaat in de kerkenraad gekomen, omdat een deel van de gemeente daar liever een jongere zag dan de man die ervoor was voorgedragen. Dat had ook wel met de toenmalige dominee Hans Paardekooper te maken die, als proponent, de jeugd ruim baan wilde geven. Overigens moesten voor mijn toetreden eerst de reglementen worden aangepast want de minimumleeftijd was officieel 21 jaar.’
Toen was u nog heel jong. Wat dreef u toen om in de kerkenraad te gaan?
‘Ik was redelijk betrokken bij wat er in de kerk gebeurde en ik voelde me natuurlijk ook vereerd. Ze wilden me als jongere graag erbij hebben, om ook de jeugd in de kerk vast te houden. Jammer genoeg zijn toch veel generatiegenoten van mij afgehaakt.’
En hoe kan het nou dat u er 62 jaar later nog steeds, of eigenlijk weer, in zit?
‘Ik heb er eerst een termijn van iets meer dan vier jaar ingezeten als gewoon lid, maar daarna kwam ik nog drie keer terug, ook als secretaris en voorzitter. En de laatste periode was als voorzitter tussen 2008 en 2025. Toen lukte het na zeventien jaar eindelijk om opvolgers te vinden voor mij en de secretaris. Helaas is dat is niet goed gegaan, want tussen het nieuwe tweetal en de zittende kerkenraad ging het niet lekker en ze stapten na een half jaar op. Daarom ben ik nu weer terug als interim-voorzitter want we laten de boel er niet bij zitten. Een andere oplossing is nog niet in zicht… Het is niet makkelijk om vrijwilligers te vinden die iets structureels willen doen.’

Was het niet ook moeilijk om het aan anderen over te laten als je zeventien jaar kerkenraadslid bent geweest?
‘Nou ik heb tussentijds sowieso wel afstand genomen hoor, want ik werd in die tijd door privéomstandigheden nogal in beslag genomen. Maar dat het mis ging kwam doordat er misschien geen goede overdracht was. Gebruikelijk is dat je eerst in zo’n kerkenraad meeloopt en nog een poos wordt begeleid voordat je als bestuurder je eigen gang kan gaan. Nu voelde het voor sommigen als een plotselinge overname van twee sleutelfuncties, door mensen die het meteen op hun manier wilden doen. Zij meenden, met de beste bedoeling, wel te weten hoe het moest, maar dat ging mis. We hadden er achteraf gezien niet met zijn tweeën, als voorzitter en secretaris, tegelijk uit moeten gaan.’
Hoe zag het werk van een kerkenraadslid er zestig jaar geleden uit?
‘Het was toen simpeler dan nu. Neem alleen al de (niet-kerkelijke) trouwerijen en uitvaarten die hier in de kerk plaatsvinden. Dat houdt de kurk hier drijvende, maar het kost wel veel tijd. Vroeger waren die dingen er niet bij. De notulen werden met de hand geschreven, bij een volgende vergadering voorgelezen en dat was het dan. Pas in latere tijden werden ze uitgetypt en weer later geprint en voor de vergadering verspreid en nu gaat dat digitaal. Zoals je nu ook appgroepen hebt die je aandacht vragen. Toen sprak je elkaar pas weer op de vergadering. Het was meer afgebakend wat er gebeuren moest.’
Wat hield het voor u in?
‘Als gewoon lid hoefde ik weinig te doen. De praktische zaken die ik nu doe, omdat ik dichtbij woon, zoals de kerk openen bij verhuur, de kachel aandoen, dat soort dingen… die deed ik toen nog niet. Toen woonde er twee huizen verder iemand met een sleutel. Wel hadden we elke week dienst en er moesten gastpredikanten gezocht worden en we vergaderden eens in de maand geloof ik. En ik zat al vanaf mijn jeugd in het college van collectanten en verzorgde de autodienst. Ik deed verder geen vrijwilligerswerk. Later ben ik wel voorzitter geweest van de Gemeenschap van Kerken, een lokale raad van kerken die gezamenlijk dingen organiseerde.’
Was er wel meer te doen toen u voorzitter van de kerkenraad werd?
‘Ook dat was toen minder druk dan nu, maar je was wel bezig met al het gedoe. Dat is wel vaak hoor bij kerken, dat mensen ruzie krijgen en dan kun je alleen blij zijn als ze erbij blijven.
Het werk werd later drukker door die verhuurtoestanden en het onderhoud, en ook de afstemming met de gereformeerden die sinds een paar jaar ook gebruikmaken van deze kerk. Zorgen dat alles draait, de liederen ophangen, dat doe ik nog steeds als we dienst hebben, de twee koren die de kerk gebruiken, het rooster bijhouden. Al met al is het wel een paar uur per dag.’
U doet het vrijwillig, wat krijgt u er voor terug?
‘Wat ik ervoor terug krijg, weet ik eigenlijk niet, daar doe ik het ook niet voor. In elk geval krijg ik wel waardering. Mijn geloof, mijn Godsgevoel, gaat, naarmate ik ouder word steeds minder over een God van boven en steeds meer over de relatie van mensen onderling. Ik vind het samen zijn van de mensen het belangrijkste, de kerk, dat verband met de mensen. Het heeft ook te maken met de kleine dorpsgemeenschap. Als iemand er een paar weken niet is, vragen we ons af of er wat met hem of haar is. Vroeger hadden we een contactcommissie met ieder zijn eigen wijk in de gemeente om voeling te houden met elkaar, maar dat is verwaterd, door het kleiner worden van de gemeente en ook door het gebrek aan vrijwilligers. Nu moeten we dat samen doen en dat bindt mij het meeste.’
Maar daarvoor hoef je geen vrijwilliger te zijn. Wat drijft u daar dan bij?
‘Het vrijwilligerswerk is de verantwoordelijkheid voor het clubje om het zo lang mogelijk in stand te houden. Ik eindig mijn toespraakjes of stukjes bijna altijd met en we zullen doorgaan. We zullen het zo lang mogelijk in stand houden. Het zou zonde zijn als dat remonstrantse gedachtegoed hier zou verdwijnen. Dat is de drijfveer, dat ik dat gedachtegoed overeind wil houden.’
En wat vindt u er zo leuk aan?
‘Het zit een beetje in me. Ik hou van organiseren en zorgen dat alles loopt, het regelen, contractjes maken, de organisatie van het kerkelijk werk, dat spreekt me aan. Ik vind het prettig om te doen en ik kan het goed. En ik kan eigenlijk geen negatieve dingen noemen, behalve dan dat er door de leeftijdsopbouw dus geen mensen meer te vinden zijn om dingen te doen, zeker niet structureel. Terwijl je alleen al voor een dienst drie mensen nodig hebt: het kerkenraadslid, de gastheer of -vrouw en dan nog iemand voor de livestream die de hele dienst achter de knoppen moet zitten. Of neem bijvoorbeeld het ORF, het restauratiefonds voor de kerk. Mijn medebestuurder houdt er mee op, maar het gebouw vergt heel veel aandacht, om dat goed te houden. Als ik niks doe, ik repareer zelfs nog dingen zelf, dan doet niemand het. Ik sta daar nu bijna alleen voor.’
Hoe komt het dat het zo moeilijk is om mensen te vinden?
‘Ten eerste is de groep waar we in kunnen zoeken niet zo groot. Er komen gelukkig nog wel jongere mensen bij, dat wil zeggen veertigers en zo, maar die hebben een baan. Die willen best wat doen, maar niet continu beschikbaar zijn. En ten tweede hebben de mensen meer aan hun hoofd in deze wereld dan vroeger… en dus geen tijd voor de kerk. We hebben nu even een beetje rust, in dat opzicht, want we hebben er een nieuw kerkenraadslid bij. Die wil weliswaar geen voorzitter of secretaris zijn, maar kan ons wel ontlasten. Dus we hebben het vinden van opvolgers nu even geparkeerd.’
Waar eindigt dit?
‘Je hebt het bord gezien met de predikanten, met nog een beetje witruimte onderin. Ik heb gezegd, het bord zal wel groot genoeg zijn voor ons… ik denk dat het een keer op gaat houden, hoe jammer ik het ook zou vinden.’
Maar wanneer stopt u zelf?
‘Ik voel dat het nodig is dat een ander het over gaat nemen, het gaat allemaal niet zo makkelijk meer als vroeger. Er komt een moment dat ik zeg: bekijk het maar, maar er kan al eerder een moment komen dat de gemeente zo klein wordt dat hij niet levensvatbaar meer is. En dan houdt het op.’
Willem van Reijendam
Harrie de Pater (Nieuwkoop, 1944) groeide op in de vrijzinnig protestantse atmosfeer van een remonstrants gezin en deed op zijn zeventiende belijdenis bij dominee Hans Paardekooper. Hij werd twee jaar later gevraagd om plaats te nemen in de kerkenraad, waar hij vier of vijf periodes heeft gediend, na zijn pensioen zelfs zeventien jaar als voorzitter en momenteel opnieuw als interim-voorzitter.
De Pater heeft een werkzaam leven achter de rug bij bouwbedrijf Volker Wessels waar hij opklom tot projectleider en later bedrijfsleider bij grote civiele projecten in binnen- en buitenland, zoals de tramtunnel in Den Haag en de parkeergarage onder het Museumplein.
Hij is getrouwd met zijn Nieuwkoopse jeugdliefde Ria Stoppelenburg en heeft twee geadopteerde zoons. Hij woont nog steeds in Nieuwkoop, op een paar honderd meter van de kerk.

Het rustige stadje Friedrichstadt, schilderachtig gelegen aan de samenvloeiing van de rivieren Eider en Treene, draagt als bijnaam Hollands Stadje. De naam doet denken aan grachten en trapgevels, die er.. Lees verder

Johan Lock kwam voor het eerst met de (Rotterdamse) remonstranten in contact toen hij daar preekte in de serie Twee op de kansel. Recent won hij de groene preekwedstrijd van.. Lees verder