Het wonderlijke einde van de Johannes

Het wonderlijke einde van de Johannes

De Matthäus Passion eindigt met het bekende ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’. Bij de Johannes Passion wordt niet in tranen neergezeten, integendeel. Maarten van der Bijl bespreekt het merkwaardige slotkoraal: ‘Ach Herr, laß dein lieb Engelein’.

 

Ach Herr, laß dein lieb Engelein

am letzten End die Seele mein

in Abrahams Schoß tragen,

den Leib in sein’m Schlafkämmerlein

gar sanft ohn’ ein’ge Qual und Pein

Ruhn bis am jüngsten Tage!

Alsdenn vom Tod erwecke mich,

daß meine Augen sehen dich

in aller Freud, o Gottes Sohn,

mein Heiland und Genadenthron!

Herr Jesu Christ, erhöre mich, erhöre mich

Ich will dich preisen ewiglich!

 

Context

Nadat de Evangelist van Johannes uitgezongen is, zingt het koor ‘Ruht wohl’: rust zacht, heilig gebeente, dat ik verder niet zal bewenen, rust zacht en breng mij ook tot rust. Het graf, dat voor u bestemd is en verder geen leed omvat, opent voor mij de hemel en sluit de hel. Met dat ‘verder niet zal bewenen’ gaat Bach door, waar hij bij de Matthäus juist geëindigd was. Ik las ergens dat het zou getuigen van een ontwikkeling bij Bach (die de Johannes later schreef dan de Matthäus) maar dat vind ik niet zo sterk. Volgens mij zit het hem in de liturgische context: de Matthäus is geschreven voor Palmzondag, het begin van de Goede Week, de Johannes voor Goede Vrijdag. Bach nadert het einde van de veertigdagen en de blik verschuift naar Stille Zaterdag: wachten op de opstanding. De tekstdichter betrekt dat wachten vervolgens op zichzelf: ook ik zal ooit aan mijn eind komen en ergens rusten tot ik, in Christus, uit de dood word opgewekt.

Abrahams schoot

‘Ach Herr’ is voor Bach een bestaand lied: tekst Martin Schalling (1569), melodie al gepubliceerd in Straatsburg in 1577, componist anoniem. Het laat zich makkelijk in tweeën delen. De eerste helft gaat over een toestand van volmaakte rust.

O Heer, laten uw engeltjes, na mijn uiteinde, mijn ziel in Abrahams schoot dragen; laat het lichaam in zijn slaapvertrekje heel zacht en zonder enige kwelling of pijn, rusten tot aan de jongste dag.

Eerst maar over Abrahams schoot. In ‘Nederlandse spreekwijzen’ (1901) zegt F.A. Stoet: ‘de uitdrukking is ontleend aan de gewoonte der Oosterlingen, om bij den maaltijd aan te liggen op rustbanken, waarbij het hoofd des eenen rustte tegen den boezem, om zoo te spreken in den schoot van den anderen gast; zoo lag de discipel, dien Jezus liefhad, in zijn schoot volgens Joh. 13:23; er wordt door aangeduid de plaats, welke innige vertrouwelijkheid, hartelijke genegenheid verleent. Daar nu Abraham de hooggeëerde en geliefde stamvader was, die na zijn dood in het paradijs was opgenomen, werd de plaats aan het hemelsche gastmaal naast hem als de schoonste eereplaats beschouwd.’ Ook in de bekende gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus komt het beeld ter sprake.

De volgende metafoor is het slaapvertrekje – Duitsers uiten graag genegenheid met verkleinwoordjes, tot Jesulein aan toe. Met het beeld zou de lieddichter kunnen verwijzen naar de hoogliedtheologie: de bruid wacht in haar kamer op haar Bruidegom. Maar ook zonder theologie begrijpen we het: ik ben niet dood, ik slaap een weldadige slaap.

Op een dag

Wek mij dan op uit de dood, dat mijn ogen u kunnen zien, in alle vreugde, o zoon van God, mijn redder en genadevorst: Heer Jezus Christus! Verhoor mij, verhoor mij, ik zal u eeuwig prijzen.

In de tweede helft breekt de lente aan. Ik moet denken aan een gedicht van Toon Tellegen:

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen:
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

Het treft me vanwege de omslag: op een dag zal het zover zijn. En de vlucht die het dan neemt. In zijn enthousiasme verhaspelt hij die uitdrukking van dat puntje van de tong. Het maakt niet uit, het hoge woord moet eruit. Het ‘ik ben gelukkig’ van Tellegen kan ik verbinden met de gelukzalige lofprijzing in het slotkoraal. Ook het vervolg zien we in de liedtekst terug. De omslag is eenmalig, het daaropvolgende geluk blijvend. Ich will dich preisen ewiglich in de menselijke maat: nu kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben.

We kunnen dit jaar eindelijk de Johannes Passion weer uitvoeren. Mijn muzikale interpretatie van het slotkoraal laat zich raden: ik vraag het koor om de eerste helft zacht en rustig te zingen. Vanaf ‘alsdenn’ komt het in beweging, van piano naar forte, we versnelllen zelfs, nemen geen tijd voor komma’s, want het moet naar de grote uitroep: Herr Jesu Christ! Dubbel onderstreept. De slotnoten stralen, de bede ‘erhöre mich’ is een vraag waar we het antwoord al op weten en zo kan het naar Pasen: ich will dich preisen ewiglich!

Maarten van der Bijl
Koordirigent en de cantor-organist van de Geertekerk

Zie ook