
Mijn belijdenis ontstond op een kantelpunt in mijn leven, in een periode van diepgaande transformatie. Oude patronen, relaties en houdingen droegen niet meer; het nieuwe was nog nauwelijks zichtbaar. Wat restte was een gedurfde sprong in het onbekende, in de geest van Kierkegaards sprong in het geloof: een oefening in overgave, moed en vertrouwen in God.
Mijn eerste ontwerp was allesbehalve transformatief. Het was behoudend, leunend op de klank en sfeer van het Apostolische Credo dat ik jarenlang had opgedreund in de katholieke kerk: soms hopend en verlangend, soms vol schuldgevoel en weerzin. Jan Berkvens, die mij in deze fase begeleidde, zei daarover zacht maar beslist: ‘Ik zie wat je hier doet. Je bakent een ruimte van heiligheid af zoals die van kinds af aan klinkt. Maar is er misschien ook een nieuwe, individuele ruimte voor het heilige?’
We zaten toen op de Oesterhoeve in de Achterhoek een oase van rust en bezinning, tijdens een maatwerkretraite die ik daar volgde. De gesprekken tussen ons werden steeds dieper. Jan voelde mijn blokkades en angsten haarfijn aan. Op een dag vroeg hij: ‘Waar ben je nou eigenlijk zo bang voor?’ En ik brak open. Huilend zei ik: ‘Ik ben bang dat ik als homoman alsnog de hel inga. Verdoemd om wie ik ben, van wie ik hou en hoe ik bemin.’
Jan glimlachte en vroeg: ‘En als je mocht kiezen: de hemel met alle morele ridders of de hel met je vrienden uit de queer-gemeenschap?’ Ik stokte, en moest glimlachen. Later drong het tot me door: de hel was afgeschaft. Niet alleen voor mij, maar principieel. Dat besef woog zwaar, maar gaf me ook de vrijheid om eindelijk naar mezelf te luisteren. ‘Vrees niet’, zoals de aartsengel spreekt tot Maria.
Later vroeg Jan: ‘Jij schrijft toch gedichten?’ Ik knikte. ‘Misschien kun je daar iets mee voor je belijdenis.’ Zo begon een nieuw proces. Soms met vreugde, soms met twijfel of ik dit wel mocht opschrijven. Mijn katholieke wortels en barokke ziel bleven voelbaar, maar werden verbonden met mijn ontwakende, vrijzinnig-protestantse geest.
Binnen de remonstrantse traditie ontdekte ik dat geloven niet betekent: instemmen met vaste formules, maar trouw blijven aan je geweten, je ervaring en je vragen. De ruimte om persoonlijk, poëtisch en zoekend te mogen spreken over God, was voor mij bevrijdend.

Wat ik toen niet in begrippen kon zeggen, werd taal in dit gedicht:
Goddelijke klanken van een nieuw bestaan.
Taal die verandert, gevoelens die er zijn en altijd waren.
Beelden van geloof, meer dan een fantasie
Maar toch nooit een vaststaande realiteit.
Vind je stem, vind je woorden, durf om te voelen!
Steeds dieper, trouw verbonden aan mezelf.
Dankbaar voor de talenten die God me gaf.
Blij over mijn verzet tegen een God die mij niet liet bestaan.
Op zoek, steeds op zoek, naar een taal der liefde.
Als de vleugels van mijn woorden me niet meer dragen.
Heer, God, Almachtige – laat mij dan nieuwe woorden vinden.
Laat me soms ook zwijgen van je schoonheid, liefde en kracht.
Laat me uitroepen, vol zijn, schreeuwen met jouw stem die je me gaf.
Wees met mij, omarm me teder, help me.
Mijn God, mijn God, heb je me verlaten?
In een teder gebaar ben ik er altijd, zal je zeggen met een zachte glimlach op je gelaat.
God, Almachtige jij hebt me vrij geschapen.
Vrij om te zijn wie ik ben.
Laat me voelen dat je er bent, overal en altijd met mij.
Laat me mijn stem, mijn kracht, mijn ik vinden en steeds vernieuwen in de dagelijkse doop van het leven.
Ik had zo vaak angst dat ik er niet mocht zijn.
Ik voelde zo veel pijn en angst.
Zo veel haat, verdriet en eenzaamheid.
Een afschuwelijk vonnis van eeuwige verdoemenis gesproken door mensen die meenden jouw stem beter te kennen dan de mijne.
Nu weet ik, ik mag er zijn.
Ik hoef me niet te verbergen.
In mijn vreugde, bezieling – ja zelfs opwinding mag ik er zijn, altijd.
Ik zie de tedere glimlach van jouw moeder op onverwachte plekken, soms met een knipoog maar altijd vol zachtmoedige, oprechte liefde.
Vader, zoon en geest, ze zijn gedaanten van het geloof.
Laat me in iedere gedaantewisseling groeien,
Maar geef me ook de trouw en het vertrouwen,
Dat ik jou nooit kwijt zal raken.
Neem me aan zoals ik ben.
Ik neem jou aan zoals ik je mag zien en ervaren.
Steeds een beetje anders en juist daarom altijd vertrouwd.
Mijn belijdenis vergezelt mij tot op vandaag en herinnert mij aan mijn hernieuwde vertrouwen in een God voor wie vrijheid in liefde het diepste leidende principe is. Een liefde die niet vernedert, niet bezit en niet klein houdt, maar ieder mens in zijn kracht wil zien: bloeiend, groeiend, in verbondenheid met zichzelf, de ander en de wereld waarvan ik, leunend op de idee van Hannah Arendt over amor mundi, zo veel hou. Amor mundi, de idee dat je jouw liefde laat blijken voor deze wereld door in haar als denkend, voelend en handelend individu verantwoordelijkheid te nemen.
Ik blijf geloven met twijfel, met leegte, met vragen, maar ook met hoop zonder naïviteit. Wat deze tekst voor mij belichaamt, is dat geloof mag bewegen, groeien en ademen. In iedere levensfase opnieuw.
Philipp de Vries
Philipp de Vries (1990) werd gedoopt en deed belijdenis op 7 januari 2024 in Vrijburg Amsterdam en is sindsdien lid van die gemeente.

Op 16 oktober jongstleden was het vierhonderd jaar geleden dat Jan Pieterszoon Sweelinck overleed. Hij wordt beschouwd als de grootste componist uit de Nederlandse geschiedenis. Zijn muziek is minder bekend dan zijn naam die immers voorkomt in veel geschiedenisboeken en op talloze straatnaamborden… Lees verder