Toga-mania in de oude pastorie

Toga-mania in de oude pastorie

Soms lees je een boek dat zich stil in je nestelt. Het dringt zich niet op, maar laat je toch niet los. Je leest het ogenschijnlijk moeiteloos uit, maar merkt later dat ze het zich in je heeft vastgezet. Mensen van de dag van Emma Doude van Troostwijk is zo’n boek. Het bestaat uit korte, bijna tere hoofdstukken, als penseelstreken. Wat beschreven wordt is klein, alledaags, en toch geladen.

Het decor is een oude pastorie in Frankrijk. Klimop woekert langs de muren, dakpannen liggen scheef, de voordeur opent met een zware sleutel die in je hand blijft hangen. De tuin is verwaarloosd; wie haar wil temmen, moet geduld hebben. Binnen heerst een sfeer van verval en vertrouwdheid, van een wereld die haar beste tijd lijkt te hebben gehad en toch nog bewoond wordt.

De vertelster is de dochter in een predikantsgezin. Zij leeft er met haar broer Nicolaas, haar ouders en haar grootouders. Drie generaties, allen getekend door het ambt. Grootvader was predikant, vader en moeder zijn het, en Nicolaas bereidt zich voor om dezelfde weg te gaan. Het is alsof de toga hier geen kledingstuk is maar een erfstuk, doorgegeven van lichaam op lichaam.

De dochter observeert. Ze noteert wat zich aandient, zonder commentaar. Haar grootvader, die begint te dementeren, wekt haar ’s nachts. Hij heeft zijn toga over zijn pyjama aangetrokken, bang dat hij de dienst zal missen. Zij sust hem, brengt hem terug naar bed. Haar vader, overspannen, hoort de kerkklokken niet meer. Hij ligt veel in bed, verliest zijn oriëntatie in de tijd. Overal in huis slingeren briefjes met onafgemaakte preken — zinnen die ooit bezield waren, nu verstild.

Als kind bewaakte zij al de stilte bij het bordje ‘pasteur’ op de studeerkamerdeur. Haar vader moest ongestoord kunnen schrijven. Nu rookt hij bij het raam, starend naar buiten. Nicolaas, haar broer, worstelt zichtbaar met zijn roeping. Tijdens het bidden van het Onze Vader stokt hij; de woorden blijven steken. Zij fluistert hem het vervolg toe.

Het huis is rommelig en warm. Er wordt gegeten, gepraat, gezwegen. Een oude Sony-radio speelt vanaf een stapel lege eierdozen. In kleine scènes toont zich de tederheid tussen opa en oma. Hij belooft haar dat hij haar niet zal vergeten. Een ontroerende zin, uitgesproken door iemand die juist zijn geheugen verliest.

Bezoekers zijn schaars. Slechts één vrouw belt ’s nachts aan. Nicolaas staat op, geeft haar te drinken en rolt een matje uit in de kerkzaal. Barmhartigheid zonder woorden.

Wat in eerste instantie idyllisch lijkt, krijgt gaandeweg een andere lading. Wanneer de grootvader zijn kleindochter een verfrommeld papiertje geeft, een oude e-mail waarin hij reageert op haar beschouwing over Plato, wordt iets zichtbaar. Zij had geschreven dat lichamen in Plato’s denken zich niets herinneren. Die gedachte contrasteert scherp met wat zich in de pastorie afspeelt: lichamen die zorgen, aanraken, naast elkaar liggen, maar hun gevoelens zelden onder woorden brengen. Er worden oude video’s bekeken met de vraag: “Herinner je het je nog?” Maar het gesprek stokt daar.

Het boek ademt een sfeer van bijna-voorbij. De kerkgangers zijn schaars, het licht door de ramen legt een bleke glans op hun gezichten. Wanneer Nicolaas zijn vader vraagt of hij in God gelooft, antwoordt deze na lang nadenken dat hij in verhalen gelooft. Grootvader spreekt nog wél over God: als een wens, een zegen voor zijn kleindochter.

Het lijkt alsof de toga’s niet langer belichaamd worden. Ze hangen om schouders die moe zijn, zoekend. De dochter daarentegen is voortdurend in beweging. Haar zorg is concreet, tastbaar. Zij is de trooster. Zij houdt de lichamen bij elkaar in een tijd van overgang. Het woord dat zich opdringt is aporie: de leegte tussen twee zekerheden, het niet-weten dat voorafgaat aan inzicht. Het oude verhaal verliest zijn vanzelfsprekendheid; het nieuwe heeft zich nog niet aangediend.

Doude van Troostwijk schrijft met grote beheersing. Ze suggereert meer dan ze verklaart. Soms is de intimiteit zo groot dat je als lezer bijna geneigd bent te zwijgen, zoals bij de scène van het Avondmaal waar de zoon het brood breekt en aan zijn vader geeft met de woorden: “dit is mijn lichaam.”

Toga-mania is hier geen karikatuur, maar een erfenis. Een geschiedenis die zich in spieren en gewoonten heeft vastgezet. Zelfs op de fiets wordt nog liturgische muziek ingestudeerd, uit gewoonte, uit trouw aan wat was.

Mensen van de dag? Ja, dat zijn wij. Mensen van de dag van morgen.

Heine Siebrand

Zie ook

Vergeef ons onze schulden
11 maart 2025

Vergeef ons onze schulden

Op welke manier heeft binnen de kerk het besef van zonde en schuld steeds een beklemmende rol gespeeld, vraagt Peter Korver zich af?.. Lees verder

Het gezicht van Frans van Vught
25 juni 2025

Het gezicht van Frans van Vught

Frans van Vught (1950) sloot zich tweeëneenhalf jaar geleden aan bij de Remonstranten in Twente. Als Michel Peters hem per Zoom spreekt komen zijn filosofische belangstelling en insteek (ook in.. Lees verder