
Predikant Christiane Berkvens (1946 – 2017) schreef in Kort Bestek Levensverbintenissen uit 1987 een belangwekkend artikel over het huwelijk en haar geschiedenis. Het volledige artikel is te lang voor AdRem. Daarom vroeg de redactie het AI-programma Gemini om er een samenvatting van te maken. Om onze herinnering op te frissen.
In de westerse samenleving worden het huwelijk en het gezin vaak beschouwd als tijdloze, universele instituten. Veranderingen in samenlevingsvormen worden door velen ervaren als een devaluatie van traditionele waarden. Deze opvatting berust echter op een misvatting. Historisch en sociologisch onderzoek toont aan dat er geen sprake is van een rechtlijnige of natuurlijke evolutie van het huwelijk. Het huidige affectieve kerngezin is niet het definitieve eindpunt van een vaststaand ontwikkelingsproces, maar een product van continue maatschappelijke veranderingen.
Religieuze en antieke wortels
De basis van de westerse huwelijkstraditie ligt in een vlechtwerk van joodse, christelijke, antieke en germaanse invloeden. Binnen het jodendom laten de twee scheppingsverhalen uit Genesis al twee verschillende accenten zien:
Het vroege christendom formuleerde, mede op basis van de brieven van Paulus, een mystieke visie op het huwelijk: de relatie tussen man en vrouw werd gezien als een afspiegeling van de onverbrekelijke band tussen Christus en de Kerk.
In de Griekse oudheid werd het huwelijk primair beschouwd als een noodzakelijke plicht en een juridisch contract tussen de man en de voogd van de vrouw. Onder invloed van het hellenisme kwamen elementen als gelijkwaardigheid en persoonlijke instemming meer op de voorgrond.
De Romeinse samenleving kende aanvankelijk het huwelijk sub manus, waarbij de vrouw onder de absolute macht van haar echtgenoot (of diens vader) viel. Dit maakte geleidelijk plaats voor het vrije huwelijk (matrimonium justum), waarin de vrouw een meer zelfstandige positie behield. Veel Romeinse en Griekse rituelen — zoals het geven van de rechterhand, het uitwisselen van ringen, de bruidsprocessie en feestelijke maaltijden — werden later geïntegreerd in de christelijke huwelijksliturgie.
De Kerkvaders en de Middeleeuwen
De Kerkvaders gaven het christelijke huwelijk een uitgesproken sacramenteel karakter (sacramentum). Doordat Christus slechts één kerk als bruid heeft, moest het huwelijk monogaam, onontbindbaar en eenmalig zijn. Tweede huwelijken werden scherp veroordeeld. De theoloog Augustinus (354-430) stelde dat het rechte huwelijk werd gevormd door trouw (fides), liefde (caritas) en voortplanting (proles). Hij zag de echtelijke liefde als de essentie van het huwelijk, terwijl de vleselijke gemeenschap een middel (remedium) was tegen menselijke zwakheid. Het maagdelijkheidsideaal bleef daarbij hoger gewaardeerd dan het echtelijke leven.
In de Middeleeuwen ontstond er een duidelijke scheiding tussen het Oosten en het Westen:
In het Oosten werd de kerkelijke inzegening al vroeg juridisch verplicht. De sacralisatie was volkomen: men trouwde eerst voor de Kerk en pas daarna voor de staat.
In het Westen bleef het huwelijk tot in de negende eeuw primair een privézaak die viel onder het gewoonterecht en de controle van de sociale omgeving. Pas vanaf de negende eeuw kreeg de kerkelijke autoriteit meer grip op het huwelijk: het concubinaat werd verboden en de ceremonie verschoof van de huiselijke sfeer naar het kerkgebouw. In de westerse traditie ontstond het huwelijk niet door de priesterlijke inzegening, maar door de wederzijdse instemming (consensus) van de echtelieden.

Raphael Het-huwelijk-van-de-Maagd-detail-1504-Pinacoteca-di-Brera-Milaan-Italie
Reformatie, Contrareformatie en de burgerlijke overheid
De Reformatie bracht in de zestiende eeuw een grote omschakeling. Luther en Calvijn verwierpen het idee dat het huwelijk een sacrament was en beschouwden het als een wereldlijke aangelegenheid die door de burgerlijke overheid geregeld moest worden. Het virginiteitsideaal verloor zijn verheven status, echtscheiding werd onder voorwaarden mogelijk en tweede huwelijken gaven geen fundamentele bezwaren meer.
De Contrareformatie reageerde hierop tijdens het Concilie van Trente door het sacramentele karakter juist te herbevestigen. De echtelieden bedienden elkaar het sacrament door hun ja-woord, terwijl de kerk de exclusieve controle over de sacramentele bediening behield. Dit leidde in heel Europa tot langdurige conflicten tussen kerk en staat.
Pas met de Franse Revolutie trok de burgerlijke overheid het huwelijksrecht definitief naar zich toe. Voortaan werd het burgerlijk huwelijk in alle Europese landen verplicht gesteld vóór een eventuele kerkelijke inzegening, wat een belangrijke stap markeerde in het secularisatieproces.
Van sociaal-economische eenheid naar affectief kerngezin
Naast juridische en religieuze transformaties veranderde ook de emotionele beleving van het gezinsleven. Tot in het Ancien Régime was het huwelijk voornamelijk een sociaal-economische samenwerking. Vanaf de zeventiende en achttiende eeuw ontstond in de burgerij het ideaal van huiselijkheid. Het gezin veranderde van een patriarchale eenheid in een intieme, emotionele gemeenschap gebaseerd op genegenheid.
In de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw voltooide zich de vorming van het conjugale kerngezin. Mede door industrialisatie en verstedelijking werd het gezin een afgeschermde oase van rust tegenover de harde buitenwereld. Het gezin verkreeg een monopoliepositie als de primaire plek voor geborgenheid, consumptie en de opvoeding van kinderen.
De late twintigste eeuw: pluriformiteit en individualisering
In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er opnieuw een ingrijpende omwenteling plaats. De opkomst van betrouwbare anticonceptie en de seksuele revolutie ontkoppelden huwelijk, voortplanting en seksualiteit van elkaar. Het ideaal van geborgenheid maakte ruimte voor persoonlijke ontplooiing en individualisering.
De nadruk verschoof van de formele instelling naar de kwaliteit van de relatie. Nieuwe samenlevingsvormen — zoals alleenstaanden, woongroepen, ongehuwd samenwonen en gelijkgeslachtelijke relaties — kregen geleidelijk maatschappelijke en juridische erkenning.
De diversiteit aan hedendaagse samenlevingsvormen is dan ook geen devaluatie van het huwelijk, maar de voortzetting van een eeuwenoud, historisch groeiproces.
Christiane Berkvens
Wie was Christiane Berkvens?
Christiane Berkvens-Stevelinck (1946-2017) was van huis uit rooms-katholiek. Ze werd op latere leeftijd lid van de Remonstrantse Broederschap en daar ook predikant. Ze heeft in die functie gewerkt in Delft (van 1986 tot 1990), bij Jongerengemeente Arminius (van 1997 tot 1999), in Breda (vanaf 2002) en in Rotterdam (van 2009 tot 2017). Haar academische carrière begon ze aan de Universiteit Leiden als adjunct-conservator moderne handschriften. Van 2000 tot 2012 was zij hoogleraar Europese cultuur (Keizer Karel-leerstoel) aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Johan Goud schrijft een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. In dit nummer deel 7… Lees verder

Bij het opruimen van mijn boeken kwam ik een artikel tegen van Mans Miskotte uit 1997. Hij constateert dat de kerken randgroepen geworden zijn, die opvallen door hun onbewogenheid, onbereikbaarheid en gebrek aan openheid… Lees verder