7 januari 2016

De preek van de week: mijn God begon met de oerknal

Geschreven door Tjaard Barnard
Verdieping Foto: Carl Milner De preek van de week: mijn God begon met de oerknal

In 1926 vond in Nederland een kerkscheuring plaats die tegenwoordig alle wenkbrauwen doet fronsen. De Amsterdamse, gereformeerde predikant Geelkerken werd afgezet nadat hij weigerde te verklaren dat de slang en haar spreken in het Bijbelse verhaal van de zondeval zintuigelijke waarneembare werkelijkheden waren. Als je er een camera bijgezet zou hebben, was de veronderstelling van de Synode van Assen van 1926, dan zou je een slang hebben zien spreken. Deze kerkscheuring is een prachtig voorbeeld van een heel letterlijke interpretatie van de bijbel, zoals die in fundamentalistische kringen wordt gevonden. De bijbel is van kaft tot kaft waar. Alles wat beschreven staat, is historisch waar. Het is zo gebeurd. Het is een redenering die ver weg staat van ons moderne wereldbeeld. U begrijpt dat dit soort standpunten tot merkwaardige redeneringen kan leiden.

Toen ik in 1987 theologie ging studeren in Leiden was er een groepje studenten dat herkenbaar was aan hun zwarte kousen en dito opvattingen. Met verve verdedigden zij hun orthodoxe standpunten. Ik herinner me nog goed hoe er tijdens een college archeologie van Israël een wat merkwaardig gesprek ontstond. Volgens sommige fundamentalisten bestaat de aarde niet langer dan ongeveer 6000 jaar. Dat getal krijg je namelijk ongeveer als je alle leeftijden uit de geslachtsregisters uit de bijbel bij elkaar optelt. De aarde kan dus niet ouder zijn! Problematisch werd het toen de hoogleraar sprak over artefacten die een stuk ouder waren. Men begon wat glazig te kijken. Verhalen over nog veel oudere fossielen, gecombineerd met een beschouwing over de Koolstof 14 dateringsmethode mochten niet baten. Het bleef ongemakkelijk.

Tenslotte stelde de hoogleraar in de richting van de zwarte kousen kijkend de vraag: hoe gaan jullie nu om met al die oude zaken, die gewoon, bewezen, ouder zijn dan jullie wereldbeeld het toelaat? Het antwoord was wel creatief, dat moet ik toegeven. Natuurlijk zijn die zaken niet ouder dan 6000 jaar oud. Alleen lijken ze ouder te zijn, doordat de duivel ze zo gemaakt heeft, dat wij denken dat ze zo oud zijn. Het is dus niets anders dan een verzoeking van de duivel. U begrijpt, hiermee zijn we direct aangekomen bij het thema voor vandaag: Mijn God begon met de oerknal. Als altijd preek ik in drie delen. Het eerste deel gaat over ‘schepping of evolutie’, gevolgd door ‘Schiep God de oerknal of schiepen wij God?’. Tenslotte waag ik mij aan een nieuwe duiding van de schepping met als motto ‘ik geloof dat God mij draagt’.

Schepping of evolutie

De discussie speelt al sinds de tijd van Darwin. Of eigenlijk ook al eerder. Hoe ga je nu om met tegenstellingen tussen de verhalen in de bijbel en datgene wat de wetenschap ons leert? Vanaf de Verlichting werd geloven steeds moeilijker. Waar God in vroeger tijden in staat werd geacht de prachtigste wonderen te verrichten, leek dat opeens veel moeilijker te worden. Natuurwetenschappers kwamen steeds verder in het beschrijven van hoe de wereld in elkaar zit. De platte aarde sneuvelde voor de bol waarop we nu leven. De gedachte dat wij centraal stonden in het heelal, moest plaatsmaken voor een schier oneindig heelal, waarin wij ergens te midden van ontelbare zonnestelsels ergens rondzweven. De schepping in zeven dagen werd moeilijk, toen evolutietheorieën gangbaar werden die spraken over een heel geleidelijke, langdurige ontwikkeling van het leven op aarde.

Allerlei wonderen die in de bijbel werden beschreven, van zonnen die stil konden staan, van zeeën die zomaar droog konden vallen, tot genezingen, het lopen over water en uiteindelijk opstandingen uit de dood. Het werd allemaal steeds problematischer. Eigenlijk verdween al het bovennatuurlijke uit het wereldbeeld en dat maakte het moeilijk om te geloven. Was God vroeger het antwoord op al onze vragen, nu was het de vraag waar God nog kon blijven, nu de wereld zo verklaard kon worden. Al deze problemen komen samen in de tegenstelling tussen schepping of evolutie. Is er een godheid geweest die de wereld naar het Bijbelse model in zeven dagen geschapen heeft of was er een autonome ontwikkeling geweest, die met een zekere mate van toevalligheid heeft geleid tot de wereld die we nu kennen. In Amerika blijft dat een hele strijd tussen creationisten en evolutionisten, waarbij er ook een variant bestaat: creationisme light: namelijk niet in zeven dagen, maar wel volgens een intelligent plan: dus intelligent design.

Schiep God de oerknal of schiepen wij God?

Eerlijk gezegd vind ik het verhaal van creationisten een achterhoedegevecht. Natuurlijk: net als bij elke natuurwetenschappelijke theorie zijn er discussies over details binnen het wetenschappelijke wereldbeeld. En laat ik u geruststellen: ik kan die wereld in het geheel niet overzien. Ik ben niet verder gekomen dan een Beta VWO-examen bijna dertig jaar geleden. Ik doe weinig moeite om ook maar de hoofdlijnen van de natuurkundige discussies te begrijpen. Dat is het vak van anderen. Alleen lijkt het mij wel evident dat de breedte van de exacte wetenschap het er over eens is, dat er in een allereerste begin een grote oerknal aan de basis staat van alles wat wij weten en kennen binnen het heelal en dat onze aarde maar een heel klein deeltje binnen dat grote geheel is. Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat dat grote verhaal niet zou kloppen.

Tegelijkertijd besef ik heel goed, dat alles wat wij hier in de kerk doen gaat over een heel andere werkelijkheid dan diegene die door de natuurwetenschappen wordt bestudeerd. Wij spreken hier over een wereld die eerder van gevoelens en onzekerheden samenhangt, dan van getallen en bewijzen. We proberen zo te spreken dat onze taal een innerlijke logica heeft en begrijpelijk is voor onszelf en voor onze medemensen, maar we begrijpen ook dat elke bewijskracht hier ontbreekt. Je kunt gewoonweg niet bewijzen dat God bestaat, dat bidden werkt of dat wonderen plaatsvinden. Elke poging daartoe is bij voorbaat gedoemd te mislukken, daar het onderwerp van studie, uiteindelijk God zelf, zich onttrekt aan elke wetenschappelijke waarneming. Nu zou dat voor sommigen natuurlijk aanleiding zijn om elk geloof maar af te zweren en als atheïsten verder door het leven te gaan. Daar valt heel wat voor te zeggen. Wie daarmee tevreden is, moet dat zeker doen. De enige reden waarom ik die niet keuze maak is dat er iets in mij zit – zoals bij zovele mensen – dat je zou kunnen aanduiden als: ongeneeslijk religieus.

Bestaat God?

Er is iets in mij, dat zoekt naar zin. Dat reikt naar het ongrijpbare, dat probeert de wereld te verklaren uit begrippen als warmte, licht, en liefde. Misschien wel naar het mysterie dat we God kunnen noemen. Iets dat eerder naar het waarom vraagt, dan naar het hoe. Iets dat zoekt naar een zin en niet naar een wetenschappelijke beschrijving. Maar ik ben en blijf ervan overtuigd, dat er op dit front geen zekere uitspraken te doen zijn. Zoals een collega van me het al tachtig jaar geleden vanaf een remonstrantse kansel riep: Gemeente, of God bestaat? U weet het niet. En ik weet het ook niet. Maar laten we eens uitgaan van wel. Dat leidt er toe, dat mijn God, als er al een schepping zou zijn, begonnen is met de oerknal. Alle natuurwetenschappelijke theorieën beschrijven hoe het gegaan zou kunnen zijn. Nergens is nog maar een begin van een antwoord op de vraag: waarom dit alles er eigenlijk zou zijn.

In die zin wil ik gerust aannemen dat mijn God de oerknal schiep. Mijn God is dan de dragende grond van alles wat er is en gaat hij schuil achter het hele bestaan. Het alles is er niet zomaar. Het komt ergens vandaan. Dat is een mysterie en laat ik dat mysterie dan maar eens God noemen. Het beestje moet tenslotte toch een naam hebben!  Zou het ook zo kunnen zijn, dat wij zelf die God hebben gemaakt? Dat God geen mensen heeft gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis, maar dat wij God naar ons beeld hebben geschapen? Gewoon omdat wij mensen niet zo in de kou willen staan, eenzaam en alleen in ons eigen, sterfelijke bestaan. Zouden wij ons een God geprojecteerd hebben, zoals Freud het zegt, om onze eigen verlangens te bevredigen? Dat zou zomaar kunnen. Dat kan ik helemaal niet uitsluiten. Maar eerlijk gezegd hindert deze mogelijkheid mij helemaal niet. Ik ben er zo van overtuigd, dat wij met ons verstand er letterlijk niet bij kunnen of er een God bestaat, dat ik ook besef, dat wij nooit zeker zullen weten dat die niet bestaan.

De vraag naar geloof is niet te beantwoorden met ons verstand. Het gaat dan om ons hart. En het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent, zegt Blaise Pascal al. Geloof is iets als liefde of verliefdheid. Niemand kan dat bewijzen. Ook zelf kun je daar op een rationele manier niet zeker van zijn. Geloof is de hoop en het vertrouwen, dat iets wat je niet kunt zien, je toch draagt. Ik begrijp heel goed, dat het voor sommigen is alsof ik de Baron von Munchhausen weer wil laten opstaan, die zichzelf aan zijn eigen haren het moeras uit wilde trekken. Nogmaals: ik kan niets bewijzen. Wie tegen mij zegt: Tjaard, wat verkondig je toch een onzin. Die kan ik rationeel alleen maar gelijk geven. Tegelijkertijd is er het gevoel dat ik gedragen word. Het besef dat ik ergens toe geroepen word. De uiteindelijke zekerheid dat ik er mag zijn, hoe onwankel het leven soms ook kan zijn. Hiermee ben ik al vooruitgelopen op het slotakkoord van deze preek van de week.

Nieuwe duiding van de schepping

Wie de bijbelse verhalen leest, zeker als ze in de historische boeken staan, zal snel genegen zijn ze te lezen als een historisch verhaal. De volgorde van de christelijke bijbel suggereert dat ook. Het begint met de schepping. Er volgen oerverhalen over de voorvaders van Israël. Er zijn koningen en profeten totdat in het midden van de tijd de figuur Jezus tevoorschijn komt. Daarna eindigt het met de Openbaring van Johannes die de eindtijd beschrijft. Kortom: een prachtige, historische lijn. Maar zo is die bijbel helemaal niet ontstaan. En zo moet je hem misschien ook niet lezen. De twee verschillende verhalen van de schepping uit de hoofdstukken 1 en 2 zijn relatief laat geschreven. Over het algemeen wordt gedacht dat ze passen in een rijke traditie van scheppingsverhalen die in allerlei talen en culturen bestaan. Onze verhalen, die elkaar qua opzet, maar ook in details tegenspreken, zijn pas ontstaan in de tijd van de ballingschap van Israël.

In een tijd waarin het volk onderdrukt werd en leed onder vreemde overheersing moeten er dus mensen zijn geweest die deze woorden opschreven. Niemand was erbij, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat zij toen een natuurkundig verslag hebben willen schrijven. Alsof zij wisten hoe de aarde ontstaan was. Nee, zij schreven iets heel anders en daarom moeten wij het ook anders lezen. Zij probeerden een verhaal te schrijven, dat hun grond onder de voeten gaf. Waar alle vaste grond verlaten was, waar onzekerheid heerste door vreemde onderdrukking, zochten zij iets waarop ze konden steunen. Het verhaal van een schepping van de hemel en de aarde door hun God gaf houvast in een tijd waarin alles onzeker was. Zij schreven niet over God als grote boetseerder, maar over hun God die alle ellende die ze dagelijks meemaakten te boven ging.

Een God van dichtbij

Als wij onze kerkdiensten met de traditionele woorden uit de Psalmen beginnen door uit te spreken dat: Onze hulp is in de naam van de Heer – Die hemel en aarde gemaakt heeft – Die trouw houdt tot in eeuwigheid – En die niet loslaat het werk van zijn handen. Dan bedoel ik daarmee niet, partij te kiezen in het debat van creationisten en evolutionisten. Ik doe geen uitspraak over het ontstaan van de wereld, maar ik reik boven mijzelf uit, door met de oude woorden van de bijbel uit te spreken dat ons leven rust in Gods hand. Wat er ook allemaal in de wereld gebeurt, dit alles rust in Gods hand. Dat is de boodschap van de bijbel, die poëtisch, dus in beelden, over God spreekt als de schepper van het heelal. Die God is niet ver van ons mensen verwijderd, maar Hij is heel dichtbij.

Met kerst vertellen we hoe concreet dichtbij hij is in een kind. Een baby in een voerbak. Dat is een God die ons ziet en die naar ons luistert. Een God die het al omvat houdt, maar die tegelijkertijd ook ons mensen, ieder voor zich, nabij kan zijn. Zo voel ik het soms, als het leven niet mee zit, maar er ergens toch iets is dat me draagt. Zo hoor ik het van mensen, die door een diepe crisis in hun leven heen gekomen zijn. Zo zie ik het gebeuren, wanneer een groep mensen, als waren zij Gods handen, iemand door diepe ellende heen dragen. In zo’n God, in zo’n schepper wil ik geloven. Niet als antwoord op de wetenschappelijke vragen die we kunnen stellen. Maar wel als antwoord op de vraag: wat is er dat mijn leven ten diepste draagt. Dan zeg ik: Mijn helper is de God die alles heeft gemaakt.

Amen

Over Tjaard Barnard

Tjaard Barnard

Tjaard is predikant in Rotterdam.

Gerelateerd