De zelfredzame mens en de behoefte aan troost

De zelfredzame mens en de behoefte aan troost

Mensen moeten zelfredzaam zijn. Dat is een gedachte die sinds enkele jaren gemeengoed is geworden onder politici en hulpverleners. En als burgers het zelf niet redden, dan zal de overheid hen stimuleren om zo snel mogelijk weer op eigen benen te staan. Er mag daarbij een beroep gedaan worden op familie en buren om een aandeel te nemen in de zorg. We moeten weer meer verantwoordelijkheid nemen voor elkaar. In 2015 begon deze filosofie een concreet gezicht te krijgen toen onze verzorgingsstaat werd onderworpen aan een complete verbouwing. Dat was nodig om de explosieve groei van de zorgkosten af te remmen. Voortaan was niet langer het rijk, maar waren de gemeentes verantwoordelijk voor de uitvoering van de nieuwe Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Voor met name ouderen hebben de veranderingen tot veel onzekerheid geleid.  Zou de pgb (het persoonsgebonden budget), zou die noodzakelijke traplift of de vertrouwde huishoudelijke hulp nog wel kunnen doorgaan? De gemeentes moeten het immers ook nog eens gaan doen met twintig procent minder aan budget…

Verantwoordelijkheid

Je zou verantwoordelijkheid kunnen omschrijven als de verplichting ervoor te zorgen dat datgene goed verloopt dat aan jouw zorg is toevertrouwd respectievelijk aan jou als taak is opgedragen. Het is het antwoord dat jij geeft in een specifieke situatie die iets van jou vraagt. Verantwoordelijk zijn is wat anders dan je verantwoordelijkheid nemen. Waar ligt mijn verantwoordelijkheid en waar begint...  Lees verder

Verbouwing gaat door

Het ideaal van zelfredzaamheid is dat de burger zichzelf redt, zónder hulp van de overheid en mét steun van familie en vrienden. De eenzame oudere is geen probleem van de overheid meer, maar een probleem van de straat, de buurt, de familie waar de oudere woont.  Mensen kunnen weer ‘eigenaar zijn van hun eigen problemen en oplossingen’. Je voelt wel dat hiermee het naoorlogse ideaal van de verzorgingsstaat onder druk is komen te staan. Dat gaat er nog van uit dat de staat de primaire verantwoordelijkheid wil of kan dragen voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid. Nu, na een jaar verbouwen, is nog niet goed uit te maken of de plannen sociaal wenselijk uitpakken of dat kwetsbare jongeren en ouderen voor slechtere omstandigheden moeten vrezen.

Hoe zelfredzaam is een mens uiteindelijk? De vraag is breder dan het economische aspect. Ook als er in financieel opzicht geen belemmeringen zijn om de nodige zorg in te kopen, blijft er behoefte aan tijd, aandacht en liefde van anderen, want zonder dat redt een mens het niet. In een geloofsgemeenschap zijn wij er niet op gericht dat mensen het zelf wel zullen redden. We willen er zijn voor elkaar, juist in goede en in kwade dagen. De pastorale zorg en de diaconie zijn geen bijkomstigheid, maar een wezenlijk deel van ons gemeente zijn.  We brengen troost als het even allemaal niet lukt, als je het niet redt, als je ten onder dreigt te gaan aan de klappen die het leven je toebrengen. Goede troost kan een ander zelfredzamer maken.

Verzoening met het leven

Wat is dat, troost? Troost is steun die je van een ander krijgt bij verdriet en pijn en daardoor wordt je verdriet minder erg.  Troost staat haaks op wat de zelfredzaamheid die de overheid ons tegenwoordig graag voorhoudt. Dat ouderen bijvoorbeeld zichzelf moeten kunnen redden, minder afhankelijk moeten worden van de zorg. Dat is goedkoper en ze worden er zelfstandiger van. Mooi natuurlijk, maar niet als het betekent dat ze emotioneel zelfredzaam moet worden. Straks zullen er onvoldoende mensen beschikbaar zijn, die vragen: hoe gaat het met je? Die zeggen: het valt ook niet mee hè. Die aanbieden: kan ik iets voor je betekenen. Ze zijn nodig de mensen die met je meeleven en je laten voelen dat je er niet alleen voor staat. De kern van troosten is dat degene die getroost wordt zich niet alleen, niet verlaten voelt. Hij of zij wordt opgebeurd.  Troost biedt, uiteindelijk, een hernieuwde verzoening met het leven. Troost kan je nodig hebben bij twee soorten van moeilijkheden. Ten eerste: als in jouw leven verdriet en pijn gekomen zijn, als er geestelijk en lichamelijk lijden is. Ten tweede: als je lijdt aan het leven, aan de wereld, als je het leven niet aankan.

Erbij blijven

De troost die we het gemakkelijkst kunnen vragen of bieden is wanneer er een vervelende tegenslag is, bijvoorbeeld een ziekte met een goede kans om over te gaan.  We doen dan iets aardigs, sturen een kaart, een bloemetje of we gaan langs. Zonder dat redt de patiënt het ook wel, maar een emotioneel steuntje helpt natuurlijk wel. Is er een groot verdriet aan de orde, een overlijden bijvoorbeeld, een burn out – situatie, overspannenheid, een depressie, dan wordt het bieden van troost ongemakkelijk. Je kan weinig ‘doen’ en de zwaarte van de problemen van de ander kan de energie uit je wegtrekken. Dat geldt ook als een ander onder invloed van het grote wereldgebeuren niet meer weet waarvoor hij leeft, het leven te complex en te deprimerend wordt ervaren. Moedig, als je dan niet wegloopt voor de geestelijke nood van de ander en het met hem of haar uithoudt. Dat houdt in: erbij blijven, luisteren en weten te zwijgen, een kaartje sturen met daarop geschreven ‘In deze donkere dagen van pijn en verdriet wil ik je even zeggen, ik vergeet je niet’.

Bidden misschien

Misschien hebben de meesten van ons wel eens een niet-zelfredzame fase.  Als het je dan lukt om te bidden dan prevel je de woorden van dat bekende lied: blijf mij nabij, want het duister is in mijn leven gedaald. De nacht is gevallen, waarin geen licht meer straalt. En andere helpers ontvallen mij. Gelukkig ben je dat je dan nog een adres voor je hulpeloosheid hebt, dat je die bodem onder je bestaan nog voelt. Als het je niet lukt om te bidden, dan mag je hopen dat er een trooster verschijnt, die je helpt om niet te verzinken in angst, verdriet, depressie, boosheid en schaamte, ontkennen, wegpraten, wegdrinken of wegslikken.

Zonder elkaar redden we het niet. Laten we daarom zacht zijn voor elkaar. Zoals Adriaan Roland Holst dichtte in Zwerversliefde, uit de bundel Voorbij de wegen, 1920:

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind – want o, de maatloze verlatenheden, die over onze moegezworven leden onder de sterren waaie’ in de oude wind. O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken, want hoeveel harten moesten daarom breken onder den wind in hulpeloos verdriet. Wij zijn maar als de blaren in den wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind –

Peter Korver
Redactie AdRem, remonstrants predikant binnen De Kapel in Hilversum

Steun jij ons?

Zie ook