Over welke vrede hebben we het eigenlijk?

Over welke vrede hebben we het eigenlijk?

Einstein zei: ‘Ik weet niet wat licht is, maar wel wanneer het donker is’.  Gijsbert van Iterson Scholten maakt een analogie met Einstein om het kernprobleem aan te duiden waarop zijn promotieonderzoek aan de VU is gebaseerd: ‘Ik weet niet wat vrede is, maar wel wanneer het oorlog is’. ‘Over oorlog en de escalatie daarvan weten we heel veel’, zegt hij. ‘Maar wat weten we eigenlijk over vrede en over de manier waarop die vrede bevorderd kan worden? Dat moet veranderen. Ik richt me in mijn onderzoek op de betekenis van vrede volgens de mensen die die vrede proberen te bewerkstelligen. Daarvoor baseer ik mij op de ideeën hierover van Nederlandse militairen, Nederlandse diplomaten en maatschappelijke organisaties die actief zijn in het vredeswerk. De ‘escalatie’ van vrede is minstens zo fascinerend als de escalatie van conflicten. Het uitgangspunt is echter dat vrede voor deze groepen niet een toestand is, maar iets dat je opbouwt, het resultaat van hun werkzaamheden.’

Dan zijn we meteen bij de hamvraag aanbeland: wat is vrede eigenlijk?
‘De meest basale onderscheiding is die tussen negatieve en positieve vrede. Negatieve vrede is dan natuurlijk de afwezigheid van oorlog, het zwijgen van de wapens. Dat is de minimale variant. Positieve vrede is veel moeilijker te omschrijven, want het kan zaken omvatten als de afwezigheid van structureel geweld (onderdrukking door de overheid of instituties), van cultureel geweld (miskennen van het recht van vereniging en het recht om de eigen taal te gebruiken) en van economische uitbuiting. De realisatie van al die rechten lijkt wel heel utopisch; zou je pas over vrede kunnen spreken als het alle burgers economisch goed gaat, de mensenrechten gerespecteerd worden en de psychologische gevoelens van mensen in orde zijn? Dat komt nooit voor natuurlijk. Het doel van mijn onderzoek is niet om die positieve vrede te definiëren, maar om in kaart te brengen waar de spanningen liggen tussen de concrete vormen van vrede die verschillende groepen nastreven.’

Waar liggen die verschillen dan tussen de doelgroepen die je onderzocht?
‘Militairen gaan voor de minimale variant. Als je de metafoor van een vredes‘operatie’ letterlijk neemt zijn zij de anesthesisten. Hun voornaamste doel is om de situatie te stabiliseren en te zorgen dat de wapens zwijgen. In Afghanistan kregen zij er een taak bij, namelijk de civil society, of eigenlijk het hele land, opbouwen. De vraag is dan of zij, met hun taakopvatting, daar het beste voor geëquipeerd zijn. Militaire vredesoperaties zijn bovendien onderhevig aan politieke ‘conjunctuur’.  Elk jaar moet er geëvalueerd worden, er worden kortetermijndoelen gesteld en als die gehaald zijn wordt de missie afgebroken. Dat werkt niet. Een civil society opbouwen kost minstens twintig jaar en moet echt van binnenuit gebeuren. Dat zeggen die militairen zelf ook. Je ziet dan ook dat de Taliban in Afghanistan weer oprukken nu onze militairen weg zijn. Maatschappelijke organisaties die bijvoorbeeld waterputten slaan of schooltjes opzetten hebben juist langetermijndoelen. Zij zeggen: het maakt eigenlijk niet uit wat we precies bereiken, ons vredeswerk zit hem in het bijeenbrengen van de verschillende partijen in het conflict, het voeren van de dialoog. Vredeswerk is een continu proces. Als zij geld krijgen van de overheid voor hun werk, dan hebben zij last van het kortetermijndenken van de politiek.

Een tweede dilemma is de vraag of vrede in mensen zit of in instituties. Westerse overheden proberen vrede te verankeren in democratische rechtstaten, in de opbouw van een politiemacht en een rechtelijke macht. Diplomaten zitten altijd op deze lijn. Het is een top-downbenadering, die bovendien uitgaat van de export van het staatsmodel dat wij kennen. Moet je niet juist een bottom-upbenadering kiezen en mensen zoeken en faciliteren die een ‘drive voor vrede’ hebben? Dat is eigenlijk wat zowel militairen als maatschappelijke vredeswerkers zeggen. Vrede kan pas werken als je mensen in de instituties stopt die het publieke ethos propageren.’

Is vrede cultureel bepaald? Zitten er culturele aspecten aan vrede?
‘Ja en nee. Iedereen wil zijn kinderen naar school kunnen sturen in plaats van ze thuis te moeten houden vanwege oorlogsgeweld. Alle mensen zeggen liever niet te willen schieten, maar het te doen uit noodzaak, om te verdedigen wat ze belangrijk vinden. Ik deed veldonderzoek naar de betekenis van vrede in Libanon en in Mindanao op de Filippijnen. En dan zie je toch wel verschillen. In Libanon houden vredesactivisten zich niet bezig met vrede met Israël, daar willen ze niets van weten. Zij werken wel aan maatschappelijke vrede. Ze proberen te bereiken dat de zeventien bevolkingsgroepen in het land contact onderhouden met elkaar en over hun eigen grenzen heen kijken. Voorkomen moet worden dat burgers voor een oorlog gemobiliseerd kunnen worden door hun leiders. In Mindanao doen vredesactivisten iets vergelijkbaars. Hoewel ze zich ook wel tegen het politieke proces over autonomie voor Mindanao aan bemoeien, zetten ze zich er voornamelijk voor in dat de islamitische Moro’s, de settlers uit het Noorden en de inheemse bevolking door één deur kunnen. Daar hoor je de internationale gemeenschap veel minder over als het over ‘het vredesproces’ gaat.’

Welke soorten van vrede onderscheid je uiteindelijk?
‘Laat ik er vijf noemen: 1. De afwezigheid van oorlog. Een ‘safe and secure environment’, zeggen militairen, ‘human security’. 2. Een politieke vrede, waarbij een samenlevingsvorm wordt ingericht op zo’n manier dat geschillen worden uitgepraat en beslecht in een parlement of een vergelijkbare institutie. 3. Innerlijke vrede, niet als een soort ‘zielenrust’, maar vooral in de zin dat mensen de situatie accepteren. Zie Noord-Ierland: het vredesakkoord daar was niet ideaal, maar de burgers konden ‘er vrede mee hebben’. 4. Vrede als proces. Vrede is geen situatie, maar een continu proces van contact en dialoog. 5. Vrede als methode. Een manier om een doel te bereiken met vreedzame middelen. Denk aan de afzetting van Marcos in de Filippijnen en van Ceausescu in Roemenië. Massaal en volgehouden vreedzaam burgerprotest leverde resultaat op. Onderzoek leert dat dit geweldloze verzet anderhalf keer zo vaak effectief is als het oppakken van de wapens.’

Welk vredesinitiatief heeft de meeste indruk op je gemaakt?
‘Ik heb heel veel initiatieven onder ogen gehad, maar blijf haken bij een pater in Libanon. Een idealist die ervan uitgaat dat er geen vrede is zolang er nog ergens mensen lijden. Iedereen, ongeacht zijn politieke of religieuze achtergrond, kan bij hem terecht, wat in Libanon heel bijzonder is! Iedereen kan zich op kleine schaal inzetten voor vrede, zegt hij, bijvoorbeeld door je buren gedag te zeggen en mensen te vergeven. Dat ligt mijlenver af van de grote internationale wereldvrede waar wij hier in Europa vaak aan denken als het over vrede gaat, maar is wel een prachtig voorbeeld van zo’n ‘vrede waar je aan kan werken’.  Daar was ik naar op zoek.’

Wat zijn de conclusies van je onderzoek?
‘De eerste is al uitgebreid ter sprake geweest: de verschillende concepten van vrede voor militairen, diplomaten en vredesactivisten. Vrede als doel voor de eerste twee groepen, vrede als continu proces voor de derde groep. De tweede conclusie is dat vrede ook een persoonlijk verhaal is. ‘Capacity building’ en staatopbouw moeten op de een of andere manier worden verbonden met de ‘state of mind’. We kennen natuurlijk verzoeningscommissies, maar die mogen weer geen instituut worden zonder betekenis. We zeggen wel ‘vergeven en vergeten’, maar misschien is dat niet altijd mogelijk.  Lokale persoonlijke verzoening wordt ook wel geromantiseerd. In sommige gevallen is alleen ‘vergeten’ misschien wel een heel reële en acceptabele optie, maar dat duurt wel een generatie of meer en ondertussen moet er geen nieuwe oorlog uitbreken. Daarom moet er echt meer nagedacht worden over die vraag waar we mee begonnen: hoe laat je vrede escaleren?’

 

Michel Peters
Projectmedewerker landelijk bureau Remonstranten

Zie ook