Zwijgen en de vertaling daarvan
Foto: Michal Huniewicz

Zwijgen en de vertaling daarvan

Ik herinner me een langdurende liturgische stilte die diepe indruk op me maakte. Het was in de eerste remonstrantse kerkdienst die ik meemaakte. Door die stilte realiseerde ik me, dat het gereformeerde verbalisme waaraan ik gewend was geraakt, een teken van zwakte is. Want inderdaad: ‘zwijgen is de taal van het geloof’, zoals de Amerikaanse dichter Christian Wiman schrijft (in zijn boek Mijn heldere afgrond. Overpeinzingen van een moderne gelovige (2016), p. 119-120). Door te zwijgen erken je dat de vertrouwde woorden en beelden niet toereikend zijn. Dat een nieuwe, levende taal gevonden moet worden, één die het zwijgen in zich sluit. Precies daarom schrijft Wiman vervolgens: ‘handelen (moraal, politiek, poëzie) is er de vertaling van’.  Maar ‘vertalen’ (traduire) is ‘verraden’ (trahir), zeggen de Fransen. Hoe voorkomen we dat in dit geval?

Het is een probleem dat ook de opstellers van de remonstrantse belijdenis 2006 bezig hield. Hoe konden we vermijden dat zo’n gemeenschappelijke geloofstekst tot onbescheidenheid en intolerantie zou leiden? Tegen de achtergrond  van de vele geloofsbelijdenissen die naar absolute zekerheid streefden en anderen buitensloten, was die aarzeling begrijpelijk. Maar er zijn argumenten te over voor wat Wiman de ‘vertaling’ van het zwijgen noemt. Het moet dan wel lukken om dichterlijk te spreken. Want dichterlijke taal is nauwkeurig, maar staat veraf van het streven naar objectieve waarheid en zekerheid.

Leren afzien van woorden

En er is nog iets. Het geheim dat zwijgzaamheid van ons vraagt, heeft ook onze woorden nodig. Het is een geheim waarvan gelovigen graag denken dat het hen draagt, bevestigt en bevrijdt. Maar dat het zo is, spreekt niet vanzelf. Het kan zich evengoed als een ‘tremendum’ voordoen, dat mensen met stomheid slaat of hen zelfs ten kwade inspireert. We ontkomen daarom nooit aan de noodzaak van (zelf)kritiek en interpretatie. Het geduldige gesprek met een geloofstraditie kan daarbij behulpzaam zijn. Dat is wat we in die gezamenlijke belijdenis dus ook probeerden, op dichterlijke wijze.

Maar één ding is zeker: steeds opnieuw moet ook de omgekeerde weg worden afgelegd en moeten we leren afzien van de woorden die ons tot dusver geholpen hebben. Om dit duidelijk te maken, knoop ik aan bij een tweede uitspraak van Wiman: ‘Uiteindelijk zijn juist de dingen die ons naar God hebben geleid, de dingen die we op moeten geven ’ (Mijn heldere afgrond, p. 194).

Proefnummer AdRem, remonstrants magazine

Vraag nu een proefnummer aan van AdRem, het remonstrantse magazine!

Afgrond van de genade

Wimans boek is een mystiek boek, dat naar de stilte toe beweegt. Woord voor woord brokkelt erin af, zodat uiteindelijk niets dan een afgrond overblijft, zij het dan een afgrond die op een wonderlijke manier helder blijft. Waaraan ontleent de afgrond deze helderheid? Op vele plaatsen in dit boek valt het woord genade. Als iets dat de helderheid van die afgrond zou kunnen verklaren. Genade is de aanvaarding van het feit dat je aanvaard bent, aldus de theoloog Tillich, geciteerd door Wiman aan het eind van zijn boek. Ook al blijf je onaanvaardbaar, herinner ik me dat Tillich toevoegde. Het is maar een enkel voorbeeld van de vele die ik zou kunnen geven: flarden van teksten, theorieën die me door het hoofd schieten. En die de indruk zouden kunnen wekken dat de afgrond van de genade ‘begrepen’ is. Omdat hij aan bekende tritsen van woorden herinnert.

‘Uiteindelijk zijn juist de dingen die ons naar God hebben geleid de dingen die we op moeten geven’ Een mystiek besef is dat, zeker. Wie het serieus neemt, houdt uiteindelijk geen dingen en woorden over. Wimans boek gaat dan ook over de samenhang van geloven en sterven en eindigt daarmee.

Het huis afbreken

Ik ben actief kerkelijk opgevoed. In de omgeving waarin ik opgroeide werd weinig even belangrijk geacht als de bijbellezingen aan tafel, de geloofsliederen bij het harmonium, de toen nog zeer stellige woorden van dominee en geloofsbelijdenis, de zekerheden die door een slim georganiseerde zuil van alle kanten werden ingepeperd. Door veel te lezen ontwikkelde ik een zekere mate van resistentie daartegen – geruime tijd voor ik op de ook al tot die zuil behorende Vrije Universiteit theologie en filosofie ging studeren. Mijn geest was desondanks overladen geraakt met termen, kennis van religieuze conventies, en al wat daarbij hoort. Ze hadden een zekere functie vervuld, maar vormden een huis dat afgebroken moest worden – en maakten dat tot een lastig karwei.

Christian Wiman biedt geen universeel, voor iedereen geldig recept aan. Hij beschrijft de unieke weg naar zijn eigen heldere afgrond, naar wat hij zijn ‘eigenste stem’ noemt. Hem lezend besef ik hoe lang mijn eigen weg nog moet zijn, die naar mijn eigen heldere afgrond, mijn eigen onbevangenheid, en die van niemand anders.

Een heen en weer gaande beweging Dat is de ene kant. Maar ik ben theoloog en predikant geworden. Ik moet mijn zwijgen dus vertalen en woorden vinden. Dat is om zo te zeggen mijn zelfgekozen lot. Het gedicht ‘Om de brug te zien’ van Willem Jan Otten (in zijn bundel Eindaugustuswind (1998), p. 45) lees ik als een herinnering aan de risico’s daarvan. Het is een waagstuk:

De oudste brug
is als geëtst
zo spits en hangt
van daar naar hier
en hangt aan niets
dan aan je angst
dat er iets hangt
en wiegt nog na
van die al ging,
en wacht je op
en hangt maar klaar,
de eerste stap
maakt hier van daar.

De titel citeert een beroemd gedicht van Nijhoff, dat aan de brug bij Bommel in feite een liturgische functie toekende. Het zei dat die brug van ‘twee overzijden / die elkaar vroeger schenen te vermijden’ weer buren maakte. Otten herinnert aan dit klassiek geworden gedicht, zoals ook voorgangers een oude wijsheid in herinnering roepen. Beiden kunnen ze moed putten uit het besef niet de eerste te zijn: de brug wiegt nog na van die al ging.

Het gaan over die brug blijft desondanks een tocht naar het onbekende, die angst oproept. De eerste stap is welbeschouwd een waagstuk. In een film van Tarkovski gidst de hoofdfiguur groepjes mensen door een geheime zone heen. Hij brengt ze bij een kamer die hun allerdiepste wens in vervulling doet gaan, maar maakt telkens mee dat ze er niet in geloven en die kamer niet betreden. Dit maakt hem verdrietig en laat hem aan zichzelf twijfelen. Speelt zijn eigen bangheid hem parten? Is zijn overtuiging wel krachtig en hartstochtelijk genoeg? Vroegere voorgangers, van wier gang de brug nog nawiegt, nemen die onzekerheid niet weg. Want het komt nu op hemzelf aan.

Het waagstuk van de eerste stap

Het gedicht lijkt alles bijeen genomen een uitnodiging om de eerste stap desondanks te wagen. Het risico dat de brug zomaar bungelt en niet aan iets vast zit, is hoogstwaarschijnlijk een product van je angst voor wat onbekend is. Het komt aan op de durf een eerste stap te zetten, een stap die – zolang het duren kan – ‘hier’ maakt van ‘daar’.

Het lot van ‘theologen’ in de ruimste zin van dat woord: van mensen dus die ‘God’ ter sprake brengen, is meestal minder riskant. Ze kunnen steun vinden in de woorden van hun geloofstraditie. Maar het zou alle spanning wegnemen, als ze niet meer beseften dat het ‘eren en dienen van God’ (om de remonstrantse beginselverklaring aan te halen) een waagstuk is. Tot de deugden van een ‘theoloog’ behoort, schreef Karl Barth eens, een beetje dapperheid.

Johan Goud
remonstrants emeritus-predikant

Zie ook