P.A. de Génestet en zijn Leekedichtjens: speels, humoristisch en vrijzinnig
Foto: noonvandenbergh.blogspot.com

P.A. de Génestet en zijn Leekedichtjens: speels, humoristisch en vrijzinnig

Een van de bekendste remonstrantse dichters is Petrus Augustinus de Génestet (1829-1861). Hij heeft een paar jaar als remonstrants predikant gewerkt, maar zijn hart lag bij het schrijven van poëzie. De Génestet was in de tweede helft van de negentiende eeuw de populairste Nederlandse volksdichter. Tegenwoordig is er echter nog maar weinig belangstelling voor zijn werk.

De gedichten van de Génestet zijn speels, humoristisch en ongekunsteld. Ze worden gekenmerkt door een persoonlijke schrijfstijl en eenvoudig taalgebruik. Vaak gaan ze over actuele en alledaagse onderwerpen. Daardoor staan ze dicht bij de belevingswereld van de toenmalige lezers. Godsdienst is een thema dat vaak terugkomt in de poëzie van de Génestet. Sommige literatuurwetenschappers scharen hem onder de domineedichters. Zijn ironische en spottende toon en de geloofstwijfel die terug te lezen is in zijn gedichten, maken dat zijn werk wezenlijk verschilt van andere negentiende-eeuwse predikantenpoëzie. De Génestet schrijft minder braaf en moraliserend dan zijn dichtende collega-predikanten. Ook neemt hij duidelijker stelling in de theologische discussies die destijds werden gevoerd.

Spitsvondige sneldichten

De Génestet heeft verschillende dichtbundels geschreven, waaronder Leekedichtjens. Dit werk is de meest bekende modern-theologische dichtbundel uit de Nederlandse literatuur. De bundel is een verzameling van veelal spitsvondige sneldichten. Sommige gedichten zijn vroom en ernstig, terwijl andere humoristisch en ironisch zijn. De gedichten zijn korte observaties over wat er gebeurt binnen de kerk en de theologische faculteiten. In zijn Leekedichtjens neemt de Génestet een modern standpunt in. Zijn eerdere werk is ook vrijzinnig-godsdienstig, maar in de Leekedichtjens is de invloed van het modernisme groter. Hij voelt zich aangetrokken tot een nieuwe, vrijzinnige richting binnen de theologie. Met de Leekedichtjens wil hij bijdragen aan het verspreiden van de liberalisatie van de godsdienstopvattingen. Hij steekt in zijn gedichten zowel de draak met orthodoxe als moderne theologen en visies. Hij levert kritiek op vroomheid, orthodoxie en onverdraagzaamheid, maar waarschuwt mensen ook voor lichtzinnigheid en oppervlakkigheid.

Vragen en twijfels

Bijzonder aan de Génestet is dat hij in de Leekedichtjens academische theologische discussies in gewone taal uitlegt aan ‘leken’. Hij schetst voor niet-theologisch geschoolden wat het modernisme inhoudt en wat hij belangrijk vindt in het geloof. In zijn gedichten spot hij met de onophoudelijke discussies en de wijsdoenerij van de hooggeleerde theologen in het midden van de negentiende eeuw. Door de ingrijpende persoonlijke gebeurtenissen die de Génestet meemaakt, krijgt hij steeds meer moeite met het schrijven van overtuigende preken. De Leekedichtjens vormen een plaats waar hij zijn vragen en twijfels kwijt kan. In de bundels verwoordt de Génestet de problemen en geloofstwijfel die veel mensen in de negentiende eeuw hebben. Daarbij heeft hij aandacht voor de behoeftes en belangen van de mensen in zijn gemeente.

De Leekedichtjens zijn in de Génestets tijd zeer toegankelijk en actueel. Dat maakt ze aanvankelijk ook populair. Door de maatschappelijke en kerkelijke veranderingen verliezen ze echter binnen enkele decennia hun impact en algemene zeggingskracht. Veel lezers van nu zullen achtergrondkennis van het theologische denken in de negentiende eeuw nodig hebben om de gedichten goed te begrijpen. Hedendaagse vrijzinnige lezers zullen in veel gedichten van de Génestet echter nog wel herkenning vinden voor de manier waarop zij zelf geloven. Hieronder volgen vier gedichten uit de Leekedichtjens, waarbij telkens een element dat kenmerkend is voor de vrijzinnigheid wordt uitgelicht.

 

Leekedicht I – Waar en hoe: zelf nadenken

Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden,

En van geleerden, och weinig geleerd;

Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,

Straks komt een wijzer, die ’t wegredeneert.

’t Leven alleen is de school van het leven,

Levens–ervaring het heilige boek,

God! door Uw wijzenden vinger geschreven,

Daar ik niet vruchtloos de waarheid in zoek.

Zelf moet gij ’t zoeken en zelf moet gij ’t vinden.

Mensch, in uw hart, in het Woord, in uw lot,

Anders zoo spelen de wervlende winden,

Mensch, met uw hart, uw geloof en uw God.

 

Zelf nadenken

De Génestet vindt het belangrijk dat gelovigen zelf nadenken en niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen. In bovenstaand gedicht ligt de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid om kennis te vergaren. Aangezien theologen het vaak oneens zijn en van mening veranderen, kun je volgens de dichter beter zelf een doordacht geloof ontwikkelen, dat aansluit bij je eigen gevoel.

 

Leekedicht VII – Verschil en Vrede: inclusivistisch

Uw richting is mij wel – mits zij naar boven streeft,

En schoon de mijne niet, mij wat te denken geeft.

In een tijd, waarin veel gelovigen meenden dat alleen zij de waarheid in pacht hadden, schrijft de Génestet dat hij openstaat voor de opvattingen van andersdenkenden. De visie van de ander moet hem tot nadenken aanzetten en gericht zijn op vooruitgang of het hogere. In plaats van een exclusieve waarheidsclaim horen we hier een inclusivistisch geluid: een ander perspectief kan ook wijsheid en waarheid bevatten en mag daarom gewaardeerd worden.

 

Leekedicht XVII – De waarheid: terughoudendheid in waarheidsclaims

Aan Mevrouw ***

Gij hebt de Waarheid, eedle vrouw?…

Vergeef, dat ik meteen

Het nog maar half gelooven woû –

Ik dacht, God had ze alleen.

Buiten dat de Génestet openstaat voor de visie van anderen, spreekt uit dit gedicht dat hij moeite heeft met waarheidsclaims en dominante geloofsuitspraken. Andere mensen moeten ruimte hebben om hun eigen ideeën te vormen en uit te dragen. De terughoudendheid in het uitspreken van stellige opvattingen past goed bij de vrijzinnige traditie.

 

Leekedicht X – Jan Rap: vrijzinnigheid is geen lichtzinnigheid

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

Hij houdt niet van die vromen:

Hij heeft “geen weerga” om de leer,

En smaalt van “breede zoomen.” (…)

Jan Rap beweert, na wijs beraad,

“’t Bestaat’em niet in ’t bidden,”

Maar waarin of ’t’em dan bestaat,

Dat laat hij liefst in ’t midden!

Jan is geen knecht der wet; hij staat,

Dus zegt hij, in de vrijheid!

Ook, als hij t’huis komt, ’s avonds laat,

Psalmzingt hij: Vrijheid, Blijheid!

Jan volgt in denken en in doen

De stem van zijn geweten,

Maar ’t is er een van ruim fatsoen

En, min of meer, versleten. (…)

Ook voelt Jan Rap, die menschen kent,

Nogal zijn eigen waarde:

Waar vindt ge zoo’n patenten vent,

Zóó liberaal, op aarde? (…)

Zoek hem in ’t Zondagsmorgensuur

Niet bij de vrome scharen!

Hij, wel zoo goed, in Gods natuur,

Houdt kerk en – rookt sigaren! (…)

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

Lichtzinnig wel te weten:

Zoo zijn er – ja! zoo zijn er meer,

Die liberaal zich heeten! (…)

De Génestet benadrukt in dit gedicht dat vrijzinnigheid iets anders is dan lichtzinnigheid. Hij voert Jan Rap op als een ‘gelovige’ die zich liberaal noemt, maar enkel doet waar hij zelf zin in heeft. De Génestet levert kritiek op de zelfingenomenheid, de schijnheiligheid en de oppervlakkigheid van gelovigen uit zijn tijd. Zoals ook hedendaagse vrijzinnige theologen zeggen: de vrijzinnige traditie kent minder dogma’s, maar is niet waardevrij of vrijblijvend. Ook als vrijzinnige sta je ergens voor.

Arend van Baarsen
remonstrants proponent, geestelijk verzorger op het LUMC

Zie ook