Intussen in Dordt (6)

Intussen in Dordt (6)

Op 14 januari 1619 waren de remonstranten door de woedende voorzitter Johannes Bogerman weggestuurd uit de vergadering van de Synode van Dordrecht. Hoe ging het in de volgende maand, februari 1619, verder met de Synode, met de remonstranten en met de strijd tussen beide partijen?

Inquisitie zonder bloedvergieten

Om met de Synode te beginnen: die was nog lang niet klaar met de kwestie van de remonstranten. De vergadervoorzitter werd door verschillende deelnemers berispt wegens de wegzending van de remonstranten. De theoloog Ludovicus Crocius, vertegenwoordiger van Bremen bij de Synode, verweet Bogerman zijn ongecontroleerde woede-uitbarsting. De zenuwachtige Bogerman beriep zich op zijn zwakke gestel en de grote druk die er op hem lag om helderheid te verschaffen over de ware belijdenis. Daarbij was hij er wel van overtuigd dat de waarheid aan zijn kant lag. Veel ruimte voor nuance bood Bogerman niet. De kerkhistoricus Knappert schroomde niet om in zijn tweedelige geschiedenis van het protestantisme in Nederland te spreken van ‘het terugstootend schouwspel van eene gereformeerde Inquisitie’. Wat de Synode van Dordrecht deed, was, aldus Knappert, niet veel anders dan de roomse inquisitie had uitgespookt en dan wat Calvijn met de theoloog Servet had gedaan. ‘Slechts heeft hier geen bloed gevloeid.’

Bogerman werd ook verweten dat hij de remonstranten had weggestuurd zonder van tevoren met anderen te overleggen. Hij biechtte op dat hij wel met de vertegenwoordigers van de burgerlijke overheid had overlegd, maar niet met de kerkelijke afgevaardigden. De wegzending had dus duidelijk ook een politieke achtergrond. Een delegatie van de Synodevaders vertrok naar Den Haag om de Staten-Generaal op de hoogte te stellen van het besluit om de remonstranten weg te sturen. Op 21 januari 1619 werd dat besluit door de Staten-Generaal goedgekeurd. De raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, pleitbezorger van de remonstrantse zaak en sinds augustus 1618 op last van Prins Maurits in de Gevangenpoort in Den Haag opgesloten, wist toen dat zijn zaak verloren was. Hij moet de wegzending van de remonstranten gevoeld hebben als een vooraankondiging van zijn eigen doodvonnis, waarover in een volgende aflevering meer.

Vóór of na de zondeval?

De Synodevaders moesten nu aan de slag om de opvattingen van de remonstranten te be- en veroordelen. Daartoe werden zij in negentien secties verdeeld, die in de volgende weken, de hele maand februari door, in sectievergaderingen bij elkaar kwamen, meestal in de ochtend. Ook werden er door de aanwezige hoogleraren en predikanten uiteenzettingen gegeven over theologische kwesties.

Dat sleepte zich voort tot 5 maart 1619. Het leek zo eenvoudig: de rol die de remonstranten toekenden aan de eigen inbreng en de vrije wil in het geloofsproces werd veroordeeld. Maar hoe zat het dan wel met de goddelijke voorbeschikking? Had God zijn besluit over wie gered en wie verdoemd zouden worden al genomen vóór hij besloot tot de zondeval van Adam en Eva of pas daarna? De voorstanders van het eerste werden supralapsariërs genoemd, die van het tweede infralapsariërs. Die laatste leerden dat God eerst had besloten tot de schepping, toen tot de zondeval (er gebeurt immers niets zonder dat God het wil, zo meende men) en pas daarna tot de uitverkiezing van sommigen en de verwerping van (vele) anderen. Het was een theologische discussie met een groot abstractievermogen. Want omdat er in God geen vroeger of later is (God kent, net als de gezelligheid, geen tijd), ging het hier niet om een tijdsverschil tussen de besluiten van God, maar alleen om een verschil in de volgorde ervan. En allemaal waren ze het er wel over eens dat, anders dan de remonstranten leerden, de mens geen vrije wil heeft, maar dat de menselijke wil totaal verdorven en altijd tot het kwaad geneigd is.

Regelmatig raakten de partijen met elkaar slaags, althans verbaal. Zij hadden de remonstranten niet nodig om ruzie te krijgen. Zo verdedigde Franciscus Gomarus, de oude tegenstander van Arminius en inmiddels hoogleraar in Groningen, op 19 februari het standpunt van het supralapsarisme. Hij ging daarbij zo fel tekeer tegen de infralapsaristen dat opnieuw een vertegenwoordiger van Bremen, Matthias Martinius, zich beklaagde. Antonius Thysius, hoogleraar aan de academie van Harderwijk, durfde tegen Gomarus in te gaan, maar Sibrandus Lubbertus, zijn collega uit Franeker, begon toen zo te grauwen dat niemand Thysius nog kon verstaan. Gomarus zelf werd op zijn beurt zo woedend dat hij geen woord meer kon uitbrengen. Vergadervoorzitter Bogerman dankte hem vervolgens doodleuk voor zijn ‘geleerde, mannelijke en keurige rede’. Het zullen gezellige debatten geweest zijn, daar in Dordrecht.

Pamflettenstrijd

De uit de vergadering weggestuurde remonstrantse predikanten mochten intussen niet naar huis terugkeren. Zij moesten in Dordrecht blijven, in afwachting van het oordeel van de Synode over hun opvattingen. Zij bevonden zich dus feitelijk in arrest, al moeten we ons hun situatie niet al te dramatisch voorstellen: zij kregen een daggeld van vier gulden toegekend voor kost en inwoning (het dagloon van een arbeider bedroeg in die tijd tien tot twintig stuivers) en zij kregen bovendien een klerk toegewezen voor het nodige schrijfwerk.

Dat schrijfwerk werd nu nog belangrijker dan het vóór de Synode geweest was. Want de remonstrantse predikanten waren nu wel monddood gemaakt op de Synode, zij konden zich met de pen nog wel roeren. En door de drukpers konden hun schrijfsels in de vorm van pamfletten snel verspreid worden. De strijd tussen remonstranten en contraremonstranten is in die pamfletten door beide partijen in felle bewoordingen gevoerd. Hier en daar werden die pamfletten zelfs huis aan huis verspreid. De schrijvers speelden op het gemoed van de lezers en lezeressen. Regelmatig keert in remonstrantse pamfletten bijvoorbeeld de vraag terug aan een zwangere vrouw: stel u bent in verwachting van een tweeling, zou het dan niet onvoorstelbaar wreed zijn dat God één van die twee ‘onschuldige wichtjens al zou gehaat hebben, eer het nog geboren was?’

De dichter Joost van den Vondel, doopsgezind maar met grote sympathie voor het remonstrantse standpunt (hij zou pas later katholiek worden), verwoordde het in 1631 in zijn hekeldicht Decretum horribile, over het ‘verschrikkelijke besluit’ van de predestinatie, als volgt:

‘Wat baet me, dat ik heb een tweelingvrucht geteelt,

En dat ze beide rein door ’t doopsel zijn gewassen

In Kristus dierbaar bloet, die kostelijke plassen?

Men twijfelt wie van tween in ’t ende wort verdoemt.

Men troost ons met een leer, die gruwelen verbloemt.’

Peter Nissen

Remonstrants predikant in Oosterbeek en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Illustratie: titelblad van het pamflet Vale waarin de remonstrant Caspar Barlaeus, hoogleraar wijsbegeerte in Leiden, het wegzenden van de remonstranten van de Synode van Dordrecht bekritiseert (1618).

Serie artikelen ‘Intussen in Dordt’

Peter Nissen schrijft een serie artikelen ‘Intussen in Dordt’ over de historische gebeurtenissen die 400 jaar geleden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de Remonstranten.  Lees verder

Zie ook