Leven voorbij je angsten 
Foto: André Meiresonne

Leven voorbij je angsten 

‘Zo wil ik nog wel even verder,’ zegt ze bij het afscheid, terwijl ze mijn hand vastpakt. Ze is een kwieke, intelligente en zelfstandige vrouw van midden tachtig. Haar grootste angst is dat ze afhankelijk wordt, haar autonomie verliest. Begrijpelijk, want van jongs af aan staat haar leven in het teken van op eigen benen staan. Verloor jong haar moeder, ging vroeg het huis uit, trouwde en scheidde, bracht in haar eentje haar kinderen groot.   

Nu maakt ze zich grote zorgen. Ze heeft een euthanasieverklaring op zak en wil zich inschrijven bij de Levenseindekliniek. Maar daar kan ze niet terecht, want er is geen sprake van ondraaglijk  

lijden. Waardoor ze nog meer zorgen krijgt over mogelijk gebrek aan autonomie. Ze twijfelt of ze verder wil leven zodra zij minder mobiel is en afhankelijk van de zorg van anderen.  Misschien is dit wat Universiteit voor Humanistiek-onderzoeker Els van Wijngaarden bedoelt wanneer ze schrijft: ‘Afhankelijk zijn is niet veilig. Met een zelfgekozen dood willen mensen zichzelf veilig stellen, zodat ze dat niet mee hoeven te maken.’ 

In de puntjes van mijn schoenen
We hebben ruim twee uur gesproken, voor de tweede keer. Wonderlijk genoeg lijken haar zorgen en twijfels minder te worden. Althans, na ons eerste gesprek zegt ze: ’Ik heb niet zo’n slecht leven. Ik ben een gezegend mens. Ik heb me heel lang stoer gehouden. En jij bent de eerste voor wie ik dat laat varen. Je hebt de durf om kritisch te zijn – en dat heb ik nodig. Ik ben er van opgeknapt. Op deze manier wil ik nog wel een paar jaar verder. Kom je nog een keer terug? Dan praten we verder.’ In het tweede gesprek vertelt ze: ‘Wat ik nog tegen je wou zeggen. Bij jou kan ik menselijk zijn. Je hebt pijnlijke plekken geraakt en die heb ik lopen uitdenken. Met jou heb ik dingen onder ogen gekregen die ik in de puntjes van mijn schoenen gestopt had. Ik ben vaak bang dat me voor de voeten gegooid wordt wat ik verteld heb. Het is prettig als iemand naar je luistert en je warmte biedt.’   

Dit beleefde ik tijdens mijn pastorale stage. De mensen wisten waarvoor ik kwam, ik wilde graag horen over de zin in hun leven. Ik had maar een voornemen: ik wil begrijpen wat ze bedoelen. In mijn eerste stagegesprek gedroeg ik me zoals het hoort, netjes en beleefd. Ik kwam gefrustreerd thuis, kon me niet voorstellen dat iemand iets aan zo’n gesprek heeft. Toen herinnerde ik me wat ik ooit hoorde van mijn tante Willy: ‘Je mag altijd alles vragen!’ Dat ben ik gaan doen. Zonder terughoudendheid of verlegenheid, wat in me opkwam. Oprecht nieuwsgierig naar het antwoord, wat dat ook mocht zijn. Dit kreeg ik terug: ‘Je hebt me onbescheiden dingen gevraagd. Maar niet op een manier die onprettig was. Ik heb jou meer verteld dan ik ooit verteld heb. Ik ben enigszins emotioneel nu. Maar dat is niet onaangenaam. En misschien wel bevrijdend.’  

Moed om dichtbij te komen
Waarom vertel ik dit? Om te laten merken wat een geweldige gesprekspartner ik ben? Wie weet. Maar ook om het volgende: waar vind je de moed om dichtbij te komen? Anders gezegd: hoe doe je dat, ‘nabij zijn’? Want dat is de vraag die Annemarieke van der Woude oproept met haar behartenswaardige artikel over gelatenheid en trage vragen (pxx). En wat betekent ‘onbevangen’, dat lastig te omschrijven begrip waar Johan Goud in zijn laatste, gelijknamige boek bij uitkomt, ook omvattend het bijbelse ‘Wees niet bang!’ Maar: niet bang zijn om door te vragen, wie zegt dat het niet een gen-defect is, gebrek aan gêne of zelfs empathie? Of is niet bang zijn juist een kwaliteit die, behalve vruchtbaar, ontwikkeld kan worden? Die kan leiden tot geestelijke verzorging zoals beschreven door PThU-hoogleraar Martin Walton: ’Niet alleen begripvol werk dat de situatie in kaart brengt, maar ook bekrachtigend en transformerend werk dat herwaarderingen teweegbrengt en omkeringen mogelijk maakt.’  

Vrije ruimte
Voor zover ik kan nagaan heb ik een begin van de moed om nabij te zijn opgedaan toen mijn vader ziek werd en overleed. We waren veel samen en zeiden weinig. Want er was eigenlijk niets te zeggen. Hij ging dood, zo eenvoudig. Wat mij hielp was dat hij kon accepteren dat de dood inherent is aan het leven: ’Dus ik ben aan het einde van mijn tournee gekomen? Ja, er komt een tijd dat je van het toneel verdwijnt.’ We kwamen terecht in een vrije ruimte. Hij was bevrijd van zijn gebruikelijke angsten, nergens bang voor. Gedroeg zich niet meer zoals het hoort, sprak frank en vrij. En ik realiseerde me: wacht ik met dit leven in vrijheid tot ik dood ga? Of volg ik vanaf nu mijn vaders voorbeeld? Hij erkende zijn kwetsbaarheid, deed nergens zielig over. Hij was geen slachtoffer, medelijden was niet aan de orde. Het kostte geen moeite met hem te zijn, in een rijke stilte. Hij drukte me op het hart me te bepalen tot waar het werkelijk om gaat in het leven, het contact met de mensen om je heen. En hij liet me zien dat je juist in je grootste kwetsbaarheid, in zijn geval in het zicht van de dood, je werkelijke stevigheid kunt vinden. Zou het zo kunnen zijn dat je dan, en misschien pas dan, de moed vindt om iemand ook werkelijk nabij te zijn? Omdat je jezelf nabij bent? 

Kwetsbaarheid die je doorleeft brengt je voorbij je angsten. Daar is diepe rust te vinden – en vertrouwen in het leven. Ik noem het godsvertrouwen. Zoals Ad den Besten dichtte: Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild, / hebt boven ’t nameloze mij uitgetild. / Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd, / geborgen in de bevende zekerheid / dat ik niet uit dit smal en onvast bestand / van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.  

André Meiresonne
Dominee voor de Ongelovigen en masterstudent Spiritual Care bij de faculteit Religie en Theologie aan de Vrije Universiteit. Binnenkort hoopt hij af te studeren op het onderwerp ‘Nabijheid in de geestelijke zorg’.

Zie ook