Intussen in Dordt (11)

Intussen in Dordt (11)

Na de veroordeling van de remonstrantse opvattingen door de Nationale Synode van Dordrecht in april 1619 en de bekrachtiging van die veroordeling door de Staten-Generaal in juli 1619 stonden de remonstrantse predikanten voor een moeilijke keuze. Zij hadden drie opties: ofwel de Dordtse Leerregels erkennen en zich dus voegen in de gelederen van de strikte calvinisten, ofwel hun predikambt neerleggen en beloven zich nooit meer publiekelijk over hun rekkelijke geloofsopvattingen uit te laten (dat heette de ‘Acte van stilstand tekenen’), ofwel het vaderland verlaten en in ballingschap gaan. Er was nog een vierde optie, maar die werd natuurlijk niet door de kerkelijke en wereldlijke overheid beoogd: ondergronds gaan en toch stiekem de remonstrantsgezinde gelovigen pastoraal blijven bijstaan. Dat laatste deden er zestien en zij beleefden spannende jaren. Zo’n tachtig predikanten kozen voor de ballingschap.

In de vorige aflevering van AdRem viel te lezen hoe een deel van hen op karren naar het Brabantse en dus katholieke stadje Waalwijk werd vervoerd. Daar woonden zij dicht bij de grens met de Republiek en konden zij redelijk gemakkelijk contact blijven onderhouden met hun confessiegenoten in het noorden. Maar de bewaking aan de grens werd op last van de Haagse overheid al snel verscherpt en de grond werd de predikanten in Waalwijk te heet onder de voeten. Zij beraadden zich op een veiliger schuilplaats. Even werd gedacht aan de stad ’s-Hertogenbosch: groter en beter beveiligd dan Waalwijk en toch ook redelijk dicht bij de grens met de Republiek.

‘Vrijer dan in Holland’

Maar eind augustus 1619 kregen de predikanten in Waalwijk een uitnodiging om naar Antwerpen te komen. Die uitnodiging kwam van niemand minder dan Johannes Uytenbogaert, de voormalige hofpredikant van prins Maurits, die al ruim tien jaar de officieuze bestuurlijke leider was van de rekkelijke stroming onder de Nederlandse predikanten. Uytenbogaert verbleef al bijna een jaar in de metropool Antwerpen. Na de gevangenneming van Johan van Oldenbarnevelt op 29 augustus 1618 was Uytenbogaert uit Den Haag vertrokken, eerst naar Rotterdam en vandaar naar Antwerpen. Hij nam er eerst zijn intrek bij een verre neef, daarna nog op andere adressen, om ten slotte onderdak te vinden bij de lutherse juwelier Arnout de Witte.

In Antwerpen genoot Uytenbogaert een opvallend grote gastvrijheid. Antwerpen was een grote, internationaal georiënteerde handelsstad en bovendien een bloeiend cultuurcentrum. Van de persen van de drukkerij van Christoffel Plantijn, na zijn dood in 1589 overgenomen door zijn schoonzoon Jan Moretus, rolden niet alleen heel wat katholieke geschriften, maar ook humanistische werken en, vaak met een gefingeerde uitgeversnaam, ketterse boeken. In de stad heerste een sfeer van verdraagzaamheid. ‘In gewetenszaken en betreffende de religie zijn wij hier vrijer dan in Holland, zonder dat men zich afvraagt wat wij binnenshuis doen,’ zo merkte een van de naar Antwerpen gevluchte predikanten op.

Daar kwam bij dat de katholieke overheid, daarin gesterkt door in Antwerpen werkzame theologen, de stille hoop koesterde dat de rekkelijke predikanten, nu zij door de Synode van Dordrecht uit de vaderlandse protestantse kerk gezet waren, misschien wel de weg terug zouden vinden naar de kerk van Rome. In hun opvatting over de verhouding tussen genade en vrije wil stonden zij immers, zo dachten de theologen, al dicht bij de katholieke leer. En met die verdeeldheid in eigen kring moest toch de hechte eenheid van de rooms-katholieke kerk ook een zekere aantrekkingskracht op hen hebben. Vriendelijke bejegening van de remonstranten werd dan ook de katholieke strategie.

Geboortehuis

Antwerpen bleek dus een goed alternatief. Ongeveer dertig remonstrantse predikanten trokken vanuit Waalwijk naar de Scheldestad om zich bij Uytenbogaert te voegen, enkelen kwamen langs een andere weg er naartoe. Uiteindelijk kwamen tussen 30 september en 4 oktober 1619 in Antwerpen 38 gevluchte predikanten bij elkaar om te beraadslagen over de toekomst van hun geloofsgemeenschap: het geboorteuur van de Remonstrantse Broederschap. De vergadering vond zo goed als zeker plaats in het huis waar Uytenbogaert onderdak had gevonden. Dat lag aan de Meerburg, tegenwoordig Meirbrug, een overwelfde straat over een water, de ‘Meere’, tegenwoordig de Meir. Het is nu een van de bekendste winkelstraten in Antwerpen, die het centraal station en het oude stadscentrum met elkaar verbindt. Het pand staat er helaas niet meer, dus er is weinig kans dat zich daar een remonstrantse bedevaartscultuur gaat ontwikkelen.

Ongeveer waar het woonhuis van de lutherse juwelier, tevens dus geboortehuis van de Remonstrantse Broederschap, heeft gestaan, staat sinds 1931 de zogenaamde Boerentoren, de eerste wolkenkrabber op Europese bodem, gebouwd als bankgebouw voor een sterk aan de Belgische Boerenbond gelieerde bank, vandaar de naam. De Boerentoren is tegenwoordig een monument. Misschien kan de stad Antwerpen, met haar sterke gevoel voor cultuurhistorie, op de wolkenkrabber nog een plaquette laten aanbrengen die herinnert aan de oprichting van de Remonstrantse Broederschap. Het gebouw is er groot genoeg voor.

Tijdelijk noodverband

De vergadering van september-oktober 1619 bekrachtigde de plannen die al gesmeed waren tijdens een vergadering van een tiental predikanten in maart 1619 in Rotterdam (zie AdRem van maart 2019): er werd een broederschap of ‘sociëteit’ opgericht, met de bedoeling om elkaar en de gelovigen te steunen, zowel mentaal als materieel. Die broederschap kreeg ‘directeuren’, een woord dat in katholieke kring gebruikelijk was (en nog lang bleef) voor bestuurders van een geestelijke broederschap. Er waren drie ‘buitendirecteuren’: bestuurders die de broederschap vanuit de ballingschap zouden besturen. Dat waren – uiteraard – Johannes Uytenbogaert, de bestuurlijke leider, Simon Episcopius, de intellectuele leider, en Nicolaas Grevinchoven, de predikant van Rotterdam, die ook de vergadering van maart 1619 had geleid. Daarnaast waren er drie ‘binnendirecteuren’: predikanten die de ondergrondse geloofsgemeenschap in de Republiek zouden leiden. Die gevaarlijke taak kregen de predikanten Eduard Poppius, Carolus Niellius en Adriaan Borrius (van den Borre). Ook werd het besluit genomen om een geloofsbelijdenis op te stellen, niet als een dwingend keurslijf, maar als ‘een vuurbaken’ dat richting geeft. Met het opstellen van die belijdenis werd de erudiete Simon Episcopius belast. In februari 1621 kwamen de remonstrantse predikanten opnieuw bij elkaar in Antwerpen, nu om de ontwerpbelijdenis van Episcopius te bespreken en goed te keuren.

Was er nu een nieuwe kerk gesticht? Nee, dat was geenszins de bedoeling van de in Antwerpen vergaderde predikanten. De Remonstrantse Broederschap had vanaf het begin het karakter van een tijdelijk noodverband, een solidariteitsverbond van uit de ‘grote’ kerk verstoten dissidenten, niet bedoeld voor de eeuwigheid, maar ‘for the time being’. Het ideaal was en bleef: terugkeer in de grote vaderlandse kerk. Maar die moest dan wel een kerk zijn met ruimte voor pluriformiteit en verdraagzaamheid. Want daar was het hele conflict om begonnen.

Peter Nissen is remonstrants predikant in Oosterbeek en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen

 

Afbeelding: ‘Monument voor de remonstranten’, een geromantiseerde voorstelling van de ontstaansgeschiedenis van de Remonstrantse Broederschap, ets door de Rotterdamse prentmaker Govert Kitsen naar een ontwerp van Johannes Jelgerhuis uit Delft, rond 1800 (misschien 1819?). Rijksmuseum Amsterdam. In het midden beneden de oprichtingsvergadering in Antwerpen in 1619. In medaillons de belangrijkste figuren uit de vroege geschiedenis van de remonstranten.

Zie ook