Wat ons gegeven wordt
Afbeelding: Marjorie Specht

Wat ons gegeven wordt

Johan Goud schrijft dit jaar in AdRem een serie van negen – laagdrempelige – artikelen over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. Vandaag zijn tweede bijdrage.

Het vinden van zin is nooit definitief, maar blijft een oneindige opgave. Met die vaststelling eindigde mijn eerste stukje. Dit tweede gaat direct over naar de wat mij betreft belangrijkste vondst.

Ik doel op het besef dat wij leven van wat ons gegeven wordt. Dat geldt om te beginnen voor de elementen waarvan we afhankelijk zijn als de menselijke dieren die we zijn: de aarde en het water die ons in leven houden, de lucht die we ademen, de zon die ons verwarmt. Als kind leefde je daar nog heel dichtbij. Maar ook daarna bleef je afhankelijk van wat je zomaar toeviel: slaap en rust om jezelf te kunnen blijven, liefde om bij een ander te kunnen zijn, plezier om je werk de baas te blijven. Zo was het, ondanks alles wat er afbreuk aan deed.

Consumptief bestaan

Dit lijken vanzelfsprekende waarheden. Toch staan ze op gespannen voet met veel in de mentaliteit van onze cultuur en samenleving. Over onszelf denken we liefst niet in termen van afhankelijkheid, maar van ongebondenheid en autonomie. En onze door vrijwel niets belemmerde markteconomie stimuleert een geest van meritocratie en competitie. De econoom Bas van Bavel toont in ‘De onzichtbare hand’ (2018) aan, dat markteconomieën alle eeuwen door onverenigbaar zijn gebleken met de waarden van vrijheid en gelijkheid. De cultuurhistoricus Philipp Blom beschrijft in ‘Wat op het spel staat’ (2017), waartoe dat in onze tijd leidt: een digitalisering die steeds meer mensen – lager en hoger opgeleiden – aan de kant plaatst en tot een consumptief bestaan veroordeelt. Door allerlei prikkels raken mensen gewend aan het geloof in een materieel soort transcendentie: als zou je door flitsende objecten aan te schaffen een hoger niveau van bestaan kunnen bereiken. Een uitgekiende ‘theologie van het inkopen’ is daartoe ontwikkeld.

Blom pleit voor vernieuwing door een geest van rationaliteit en menselijkheid. Het religiekritische optimisme van de achttiende-eeuwse Verlichters inspireert hem daarbij. Van harte eens. Maar is er niet meer nodig om die consumptieve illusie te weerleggen? En om het besef dat we leven van wat ons gratis geschonken wordt te versterken?

Proefnummer AdRem, remonstrants magazine

Vraag nu een proefnummer aan van AdRem, het remonstrantse magazine!

Genade

De geloofstaal beschikt over vele woorden die ons leven uit wat ons gegeven wordt, typeren. Het gaat me hier in het bijzonder om het ene woord genade. Een woord dat kenmerkend is voor het christelijk geloof – al zijn vele religies vertrouwd met wat erin besloten ligt: de verwijzing naar een ruimte die oplicht, een verlichting die ons toevalt, niet verklaarbaar door wie we zijn en wat we doen. Ze gaat daaraan veeleer vooraf. Genade is het beginsel, de voortgangh, en de volbrenginge alles goets’, staat in de Remonstrantie (1610) te lezen.

Wat doet het, genade? Ze maakt geloven tot een vorm van non-conformisme, tot een ondergraving van vanzelfsprekend geachte posities. ‘Behoudens de genade zou ik het kunnen zijn die daar ligt’, zei de medicus Boerhaave, met zijn studenten staande bij het lichaam van een terechtgestelde misdadiger die voor sectie was bestemd. Genade relativeert de wetten en waarden die ons het recht lijken te geven anderen te veroordelen en buiten te sluiten. De theoloog John Caputo schrijft terecht over het nihilisme van de genade.  ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’, zei Jezus. Hij stond in een kring van opgewonden wetgeleerden rondom een overspelige vrouw die gestenigd zou moeten worden (Johannes 8). Hij bukte zich en schreef een raadselachtige tekst op de grond. Lichte en licht makende woorden waren het, aldus Gerrit Achterberg:

En hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos
waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus zijn gedicht.

Ruimte voorbij alle regels

Er is meer te zeggen. ‘Genade’ wijst naar een ruimte voorbij alle regels, en roept mogelijkheden op waar wij ze niet meer zien. ‘Uw genade gaat bóven dit leven’, zingt de dichter van psalm 63 midden in de genadeloze omgeving van de woestijn. Alternatieve vertalingen laten zien hoeveel in dat enkele woord besloten ligt: vriendschap, liefde, goedertierenheid, goedheid. Anarchistische gulheid.

Kerken en theologen hebben op allerlei manieren geprobeerd om deze ruimte zonder regels in te perken of aan voorwaarden te binden. Ook ikzelf heb ooit geschreven dat genade nooit los mag staan van wat je anderen verschuldigd bent, dus dat het ethisch appel geen moment mag ontbreken. Dat was te nadrukkelijk. De ruimte en het licht gaan in alle puurheid voorop: het besef dat je er, precies zoals je bent, zijn mag. Het kan niet anders of dat zal gevolgen hebben – al moet verderop nog blijken waaróm dat zo is.

In de film ‘The Two Popes’ (2019) merkt paus Franciscus op dat genade het dynamiet is dat muren opblaast. Het is een treffend beeld: wie er mag zijn, is vrij om te geven. Wie in de ruimte staat, neemt blokkades weg en ziet een ander in de ogen.

Klassieke boeken in deze geest zijn Dostojewski’s ‘De idioot’ (1868-1869) of N.Kazantzakis’ roman over Franciscus van Assisi: ‘Het stenen hoofdkussen’ (1957, oorspr. Grieks 1954).

Johan Goud, emeritus-remonstrants predikant

Zie ook