Eugen Drewermann over geloof en prediking

Eugen Drewermann over geloof en prediking

Emeritus-predikant Eginhard Meijering beschrijft in dit artikel hoe Eugen Drewermann hem in geloof en prediking altijd heeft geïnspireerd.  

In een van zijn eerste grote boeken maakt Drewermann op een niet mis te verstane manier duidelijk, waartegen hij zich keert: de historisch-kritische bijbelwetenschap. Deze na de Verlichting opgekomen manier van onderzoek naar de bijbel werd altijd al vanuit de kerken betwist, maar om een andere reden dan waarom Drewermann die verwerpt. Deze wetenschap beschouwt de bijbel niet als het Woord van God, maar als een door mensen in de loop van meer dan duizend jaar geschreven boek. Tegen deze benadering verzette de kerkelijke orthodoxie zich, omdat ze zag, dat daarin het wonderbaarlijke handelen van God, bijvoorbeeld bij de schepping van de wereld en de opstanding van Christus, werd ontkend. Het bezwaar van Drewermann is van andere aard. Hij is van mening, dat de kritische bijbelwetenschap ons overstelpt met historische wetenswaardigheden die ons innerlijk niet raken. Het is echter juist de bedoeling van de verhalen in de bijbel dat ze ons innerlijk iets doen. Wij moeten daarom ‘gelijktijdig’ worden met de mensen over wie de verhalen worden verteld.

Mens blijft hetzelfde
Hier rijst uiteraard direct de vraag: hoe kunnen wij, die soms meer dan tweeduizend jaar later leven dan de auteurs van de bijbel, gelijktijdig worden met hen en met wat zij ons vertellen? Drewermann is van mening, dat de mensheid in de loop der tijden wel verandert, maar dat de mens met zijn gevoelens wezenlijk dezelfde is gebleven en blijft. In zijn analyse van die gevoelens baseert hij zich verregaand op de freudiaanse dieptepsychologie. Daarin speelt de angst een belangrijke rol. Men had van dit inzicht al gebruik gemaakt in de analyse van de geschiedenis van het christelijke denken. De mens wordt gekenmerkt door drie wezenlijke angsten: die voor de dood (overheersend in de late Oudheid en het vroege christendom; hierop gaf het geloof in de opstanding een antwoord), die voor de schuld (overheersend in de late Middeleeuwen en de tijd van de Reformatie; hierop gaf de leer van de rechtvaardiging door het geloof een antwoord) en die voor de zinloosheid (overheersend in de moderne tijd; hierop moet de boodschap van Gods ons aanvaardende liefde een antwoord geven).

Vanuit deze visie op de mens heeft Drewermann een uitvoerig, uit twee delen bestaand commentaar op het evangelie naar Marcus geschreven (waarvan ik gedurende enkele jaren in mijn preken dankbaar gebruik heb gemaakt). Hij noemt dit commentaar Das Markus Evangelium. Bilder von Erlösung. Hij laat op een boeiende manier zien, hoe Jezus de mensen in hun wanhoop begrijpt en aanvaardt. Die menselijke situatie weet hij suggestief te beschrijven, zodat de lezer zichzelf daarin inderdaad herkent.

Sluit het onderwerp van de preek aan bij de bijbeltekst?
Uiteraard rijst in dit verband wel de vraag, of ook de evangelist zich nog in Drewermanns uitleg zou hebben herkend. Hier zitten we meteen in de moeilijkheid waarmee alle predikanten worstelen, en die in de kanselboeken tot uitdrukking komt, waarin vaak de rubriek ‘tekst’ staat naast de rubriek ‘onderwerp’ waarover werd gepreekt. In hoeverre sluit het onderwerp aan bij de tekst? We kunnen misschien boeiend over een onderwerp praten, maar mogen ons daarbij wel de vraag stellen, wat dit nog met de tekst of het verhaal in de bijbel heeft te maken, en we kunnen een uiteenzetting geven over een bijbels verhaal, die de mensen misschien wel interessant vinden, maar die hun verder niets doet. In de kerkorde van de Remonstranten die ik ruim vijftig jaar geleden heb moeten leren, stond onder andere dat ‘de prediking, hoe vrij ook, bijbels gebonden moet zijn’. In de afgelopen vijftig jaar heb ik wel ondervonden hoe moeilijk dit is, maar heb ik ook gedurende een aantal jaren mogen ervaren hoe iemand als Drewermann je daarbij kan helpen.

Vraagtekens
Ik zet er wel een paar vragentekens bij. De eerste is gewoon constaterend van aard. Drewermann helpt ons bij onze pastorale taak, maar niet bij ons profetische spreken als individuele christenen en kerken. Hij zag weinig of niets in het ‘spreken der kerken’ over maatschappelijke kwesties in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, waarin we ons misschien inderdaad wel eens hebben overschreeuwd. Vandaar dat hij als auteur pas na die tijd veel gehoor vond in de kerken. Mijn tweede vraag is meer theologisch. Hij heeft het over ‘beelden van verlossing’. Is dat een verlossing die wij door de juiste benadering van elkaar kunnen bewerken en waarvan optreden van Jezus, zoals dat in de evangeliën beschreven wordt, aansprekende illustraties zijn. Of is dit de verlossing die door God in Jezus wordt bewerkt? Ik vermoed dat Drewermann voor het eerstgenoemde kiest, terwijl ik van het laatstgenoemde uitga. Maar als een ‘remonstrants gereformeerd’ theoloog zweer ik niet bij dogma’s en mopper ik niet over (het geloof van anderen in) dogma’s, maar laat ik me graag verrijken door iemand die op sommige dogmatische punten anders kiest dan ik, zeker als die ander zo veel heeft te zeggen als Drewermann.

Eginhard Meijering
remonstrants emeritus-predikant

 

 

Zie ook