Onze positie als uitdager is zwak en mag van mij veel meer zichtbaar worden #innovatiepredikanten
Foto: Allard Willemse

Onze positie als uitdager is zwak en mag van mij veel meer zichtbaar worden #innovatiepredikanten

Interview met Jaap Marinus door Rachelle van Andel

Middenin coronatijd begon Jaap Marinus (37) als vernieuwingspredikant in Utrecht. Voor veel remonstranten is hij geen onbekende: als je iets wilde weten over de website remonstranten.nl of over jeugd en jongeren kwam je bijna altijd bij hem terecht. Vijf jaar lang kon je hem vinden op het landelijk bureau van de Remonstranten in Utrecht. Nu is het tijd voor een nieuwe weg.

Met een cappuccino sojamelk ontmoeten we elkaar bij Bagels & Beans. Dat Jaap bij de Remonstranten terecht is gekomen is niet vanzelfsprekend. Hij groeide op in een orthodox-evangelisch milieu. Wat bracht hem bij de Remonstranten en wat drijft hem nu in zijn werk? Een gesprek over Jaaps inspiratiebronnen, dromen, verlangens en zachte krachten als kersverse vernieuwingspredikant.

Staan op de schouders van reuzen

‘Ik ben van mijn orthodox – evangelisch geloof gevallen. Ik groeide op met het idee dat je de bijbel letterlijk moet lezen. Toch ben ik dankbaar voor mijn opvoeding. De kerken zaten vol. Het heeft me laten zien wat werkte, wat goede sprekers waren. Maar ook heb ik verkeerde voorbeelden meegemaakt zoals bijvoorbeeld gebedsgenezer Jan Zijlstra. Toen ik jonger was maakte ik me daar kwaad over en heb ik er keihard tegen gevochten.

Toen ik 24 jaar was begon ik aan mijn HBO – studie theologie, geïnspireerd door mijn goede vriend Erik Drenth. Hij dacht dat ik voor theologie in de wieg was gelegd. Wat volgde was een transitieperiode van orthodox naar vrijzinnig. Theologen zoals Harry Kuitert en Klaas Hendrikse lieten mij in die periode als eersten zien dat je de bijbel ook anders kunt lezen, dat er een redelijke manier van geloven bestaat. Bijbelse verhalen hoeven niet letterlijk gebeurd te zijn om ons toch iets te vertellen te hebben. Dat was een bevrijding.

Later inspireerden onder anderen Marius van Leeuwen, Christa Anbeek, Tom Mikkers en Cees de Monchy mij in de zoektocht naar een ander soort christendom. De Monchy zei bij een van de eerste gesprekken op het landelijk bureau tegen het moderamen: ‘Hij is al remonstrant, alleen weet hij het zelf nog niet.’’

Weg naar het hart

‘In mijn opvoeding was de bijbel de enige inspiratiebron. Muziek, ja dat kon je mooi vinden; film, ja leuk. Dat was het dan. Later ben ik muziek veel meer als bron van inspiratie gaan zien. Ik zit vaak in mijn hoofd en door muziek kan ik een weg naar het hart maken. Muziek heeft met emotie te maken, dat had ik eerder nooit zo begrepen. Ik luister voornamelijk popmuziek en dat is heel divers. Momenteel luister ik veel Smith & Thell, maar ook Stef Bos en Acda en de Munnik inspireren mij nog steeds mateloos. Regelmatig luister ik daarnaast naar Post Malone. Die raakt mijn eerlijke en soms duistere kant. Zo kun je met muziek veel los maken bij jezelf en een ander.’

Op welke manier heb jij als vernieuwingspredikant moed nodig? En welke rol speelt de moed om kwetsbaar te zijn?

‘Deze baan als vernieuwingspredikant ga ik gewoon doen. Ik heb er geen moed voor nodig, ben meer pragmatisch. Het inspireert mij juist, dit werk zet mij in vuur en vlam, dit vind ik leuk! Ik treed graag naar buiten. Sinds mijn start op 1 april ben ik op de radio geweest, heb ik video’s en podcasts gemaakt en veel mensen gesproken. Dat gaat vanzelf. Als ik iets begin te maken word ik enthousiast. Kwetsbaarheid en moed zijn in die context dan vreemde begrippen.

Of misschien… Alles in deze baan komt bij elkaar. Dit voelt goed, dit is de plek waar ik nu  moet zijn. Daarbij moet ik denken aan het boekje ‘De moed om te zijn’ van Paul Tillich. Het gaat voor mij niet zozeer om moed of kwetsbaarheid, maar eerder om berusting in het zijn in mijn rol als vernieuwingspredikant. Waar hebben de mensen in Utrecht behoefte aan? Wat zijn de krachten die spelen? Dat zijn de interessante vragen en daarvoor moet ik misschien juist even een stapje achteruit doen in plaats van heel actief zijn.

Waar ik wel moed voor nodig heb? Ik word wel eens wakker met de gedachte dat ik meer voor mijn medemens zou willen doen. Een euro geven aan een dakloze is gemakkelijk, maar een hapje eten met iemand die op straat leeft, dat durf ik gewoon niet. Daar heb ik moed voor nodig. Ik ben het liefst met gelijkgestemden en gezellige mensen.

Een tijdlang heb ik geprobeerd mij kwetsbaarder op te stellen. Het leek me belangrijk, het was nieuw voor mij. Ik denk dat ik daarin een tekort heb gehad in mijn jeugd. Maar het moet niet kwetsbaar opstellen om het kwetsbaar opstellen zijn. Wat ik wel belangrijk vind: zeggen wat er speelt, wat er in je omgaat, alles mag er zijn.’

Van welke lefplek droom je? Hoe ziet die plek er concreet uit?

‘Ik hoop dat mensen door de kerk de weg naar binnen gaan maken: waar zit mijn gemis, mijn tekort, mijn ruimte om te groeien. Dan is het bieden van boeiende en inspirerende inhoud die mag schuren van belang, denk ik. De bijbel blijft een super inspirerend boek dat ons aan het denken zet en ons kan veranderen. Ik geloof dat het belangrijk is om de christelijke traditie in ere te houden zonder dogma’s. Dat biedt mensen met een strakkere geloofsachtergrond ook een plek om de jas die in de loop der jaren misschien te strak is gaan zitten, uit te trekken.’

En de Remonstranten?

‘Ik hoop vooral dat de theologie blijft meebewegen met de samenleving, de mensen op de straat. Dat Remonstranten de weg van de vernieuwing zijn ingeslagen vind ik vanzelfsprekend. Onze theologie is bevrijdend voor ex-orthodoxen en inspirerend voor mensen die helemaal niet religieus zijn opgevoed. De kerkelijke vormen zijn helaas vaak bevreemdend en ik denk dat vernieuwingspredikanten, maar ook de huidige predikanten, stapjes mogen zetten naar in deze tijd meer aansprekende vormen van kerk-zijn. Remonstranten hebben immers altijd voorop gelopen. Dat begon al met de twist over de predestinatie. Gelovigen die het nu nog met Gomarus eens zijn, zou je in Nederland met een vergrootglas moeten zoeken. In recentere tijden waren we progressief als het gaat om het homohuwelijk en de vrouw in het ambt. Die progressieve houding zijn we, denk ik, een beetje kwijt, zowel op  inhoud als vorm.

Onze positie als uitdager is zwak en mag van mij veel meer zichtbaar worden. Dat ‘brutale broertje (of zusje) van de PKN’, die luis in de pels, zijn we al lang niet meer. Een beetje brutaal, stoer, met lef de status quo bevragen en bespelen, soms zelfs met humor. Dat zouden meer remonstranten van mij mogen doen of op z’n minst proberen.

Dan denk ik bijvoorbeeld aan supermarktketens een duwtje geven in de goede richting als het gaat om vlees- en zuivelconsumptie. Of een dwars geluid laten horen in de Black Lives Matter Movement. Of in tijden van corona met heilzame oplossingen komen. Of politieke leiders in de kerk uitnodigen en met hen het gesprek aangaan, et cetera. Ik denk dat er thema’s zijn waar wij ons nog meer in mogen mengen. Ook in thema’s die niet altijd in ons straatje lijken te passen, maar waarbij we juist een tegengeluid kunnen laten horen. Bijvoorbeeld door het aankaarten van ongelijkheid in salarissen en het verschil tussen arm en rijk kleiner maken. Dan ben je volgens mij als kerk met iets heel christelijks bezig.’

Zie ook