Tegen de onverschilligheid #wat is geloof?
Afbeelding: Marjorie Specht

Tegen de onverschilligheid #wat is geloof?

Johan Goud schrijft in AdRem een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. In dit nummer deel 5.

Gelovigen en theologen ondernemen een zoektocht in taal, zo stond het in het vorige artikel. We denken graag dat liefde of geloof op niets dan ervaring berusten, maar zien onze eigen woordjes over het hoofd: ‘mijn lief’ denken we immers, of ‘mijn God’. Heel onze geloofsweg weerspiegelt zich in taal: van de eerste aanroep: Help mij!, tot het al dan niet sluitende betoog. Ook Jobs moedige aanklacht tegen God is van taal gemaakt. En deze ‘Brief’ van Tom van Deel, geïnspireerd door het befaamde schilderij van Vermeer.

Met de brief in haar hand staat zij stil,

de stilte van een bericht in de morgen.

Wie ziet zichzelf zo niet staan, een keer,

met in de hand een brief die nooit meer

dicht kan en te lezen blijft, gelezen blijft.

Dat zo de dag beginnen moest, als het einde

van een dag. Een open enveloppe zonder raad.

Een traumatiserend bericht bevat de brief. Dat blijkt uit wat gebeurt. De lezeres blijft bewegingloos staan. Het is een bericht dat alles overstemt, in een brief die nooit meer dicht kan. Lezen en nog eens lezen is het enige, dat wie dit overkomt te doen staat: eraan wennen dat alle raadgevingen te laat komen en dat de feiten verdragen moeten worden. Misschien begint daar de wijsheid? Volgens veel wijsheidstradities is dat inderdaad het geval. Ik vraag me af of die gedachte niet al te rijp en volwassen is. Want is niet ook iets anders nodig: trouw blijven aan het kind in ons, dat zich er niet bij neerlegt en evenals Job ‘waarom’ blijft vragen? In haar boek over het kwaad vindt Susan Neiman de ware nederigheid ergens tussen de volwassene die opgehouden is naar een antwoord te zoeken en ‘het kind dat weigert de zoektocht op te geven’  (Susan Neiman, aan het eind van haar ‘Evil in Modern Thought. An Alternative History of Philosophy’, Princeton/Oxford 2002).

Trauma

Het trauma behoort hoogstwaarschijnlijk tot de elementaire gegevens van ons bestaan. In alle mythologieën, ook die van het eerste bijbelboek, vinden we sporen van de breuk met een oorspronkelijke harmonie, die voor altijd pijn veroorzaakt. Evenals die brieflezeres zie ik mijzelf als kleine jongen staan, bij het onbegrijpelijk dode lichaam van mijn vader. Precies zo heb ik anderen zien staan, bij hun gestorven kind, of na het stomweg verdwijnen van hun levenspartner.  Ook samenlevingen en culturen kennen hun trauma’s. Het wellicht ingrijpendste van onze Europese cultuur draagt de naam Hitler. Broeder Hitler is dichterbij dan we denken, schreef Arnon Grunberg, ‘al was het maar omdat zijn verbeelding die realiteit werd al onze hoop en denkbeelden tartte, ons zelfbeeld vernietigde’ (NRC-Handelsblad, 17-09-20).

Door een trauma – een brief die nooit meer dicht kan en te lezen blijft – wordt ook het christelijk geloof beheerst. Ik denk aan de in woord en beeld eindeloos gereproduceerde uitbeelding van Jezus’ kruisiging. Voor de vrije, Romeinse burger staat ‘kruisiging’ voor een ondenkbare, uiterste schande, schreef Cicero. Dus wat te denken van een geloof dat gebiologeerd lijkt door het trauma van een gekruisigde messias? Ook hier doet zich het contrast voor tussen aanvaarding en rebellie, tussen de volwassene en het kind – die elkaar tegelijkertijd nodig hebben. Als het vragende kind moet zwijgen en de aanvaarding een plicht wordt, leidt dat dan niet onontkoombaar tot een vlucht naar binnen en tot onverschilligheid voor wat anderen overkomt? Een feit is dat christenen – sinds hun geloof dominant was geworden – al te vaak doof en blind bleken voor het lijden van anderen.

Dat dit effect in strijd was met wat hun geloof in de gekruisigde van hen vroeg, hebben de besten onder hen weliswaar altijd geweten.  De Eeuwige waarin zij geloofden had die als een slaaf gekruisigde messias immers opgewekt. Wie deze God en zijn gekruisigde wilden volgen, konden niet anders dan een brief van Christus worden, ‘niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God’ (2 Kor.3:3). ‘Liefde’ en ‘gerechtigheid’ werden kernwoorden in hun levensvorm en hun beweging (Zie de door de filosofen Badiou en Agamben geïnspireerde hoofdstukken 6 en 7 in Gert-Jan van der Heiden, ‘Het uitschot van de geest. Paulus onder filosofen’, Nijmegen 2018). Waardoor wordt die beweging voortgedreven?

Tegen de onverschilligheid

Twee drijfveren noem ik. De eerste heeft een humanistisch of vrijzinnig karakter. Het is de curiositas, de drang om te leren. Door rechtgelovigen werd ze dikwijls als een vorm van hoogmoed beschouwd. Maar juist hier krijgt het rebelse kind de ruimte – en blijken zijn vragen essentieel. Leergierigen verdragen geen dooddoeners en vooroordelen. Curiositas is een reden om te leven, schreef de filosoof Martin terecht. Ze komt uit ‘cura’, uit zorg voor de wereld voort. ‘Eerlijk gezegd heb ik geen beter tegengif tegen de onverschilligheid gevonden.’

Over de tweede drijfveer ben ik kort omdat hij op uiteenlopende manieren telkens aan de orde is. De schepping en ons bestaan zijn ons geschonken. Ze vertolken pure genade. Wie dat beseft, kan niet anders dan gewond raken door wreedheid die anderen – mensen en dieren – wordt aangedaan. Hun ogen vormen ‘het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust’.

Leessuggesties:

Imre Kertesz, Onbepaald door het lot, Amsterdam 2013;

Marjoleine de Vos, Doe je best. Lof van het ongrijpbare leven, Amsterdam 2018.

 

 

Zie ook