Voor het vak van predikant is moed nodig #innovatiepredikanten
Foto: Allard Willemse

Voor het vak van predikant is moed nodig #innovatiepredikanten

Interview met Claartje Kruijff door Jaap Marinus

Niet-religieus opgegroeid besloot Claartje Kruijff (48) in 2003 na een studie psychologie theologie te gaan studeren. Ze werd predikant in de oecumenische Dominicuskerk in Amsterdam. In 2017 werd ze verkozen tot Theoloog des Vaderlands en sinds 2018 is ze werkzaam voor de remonstranten op de vernieuwingsplek in Naarden-Bussum. Hoog tijd haar daar eens nader op te bevragen.

 Wie hebben jou geïnspireerd tot dit avontuur van vernieuwing?

‘Mijn geloofsontwikkeling begon lang geleden met het vinden van een eigen plek en taal. Ik blijf op de rand balanceren: een been in de kerk, een daarbuiten. Dat hoort ook bij mij. Ik werd verliefd op een katholieke jongen. In zijn familie was het gewoon om naar de kerk te gaan. Ik ging mee en dacht: ‘jeetje, dit is een mooie ruimte, hier gebeurt iets.’

Een vrij orthodoxe priester heeft ons getrouwd. Bij hem was ruimte voor reflectie en ervaring. Hij was mijn grootste inspiratiebron om theologie te gaan studeren. Daar heb ik enorm genoten van het lezen van dikke boeken over theologie en filosofie. Jürgen Moltmann, Etty Hillesum – ik lees haar nog elke dag – , Edward Schillebeeckx, en anderen. Die studie was één grote inspiratie.

Toen kwam ik terecht in een oecumenische gemeente in Amsterdam, waar katholieken en protestanten samenkwamen. Daar speelt de menselijke ervaring een grote rol, net als bij de Remonstranten. Tjaard Barnard had mij al meerdere malen op de Remonstranten geattendeerd. Ik las ook het boek ‘Berg van de Ziel’ van Christa Anbeek en Ada de Jong en toen dacht ik: ‘God, dat is ook interessant, deze vrouw zegt het gewoon.’’

Wat bedoel je daarmee, ze zegt het gewoon?

‘Deze vrouw vindt woorden voor dingen en legt mijn ervaringen uit zoals ze eigenlijk zijn. Ik ervaarde dat als  dichtbij en echt. Christa maakt geen grote stappen naar allerlei waarheden.  De link tussen theologie en psychologie vind ik interessant omdat het volgens mij de existentiële taal en ruimte is die we missen, de taal van de ziel.

Het gaat dan om vragen als: wie ben ik ten opzichte van een ander en de wereld om mij heen? Leef ik met een tekort? Wat is mijn verlangen? Heb ik een opdracht? Heb ik een verantwoordelijkheid naar waar ik vandaan kom? Wat maakt mij eigenlijk kwetsbaar en waarom? Dus veel meer dan het alleen maar gericht zijn op diagnoses en problematieken. Predikant Ad van Nieuwpoort zei: ‘we zijn de tuin in de samenleving kwijt’. Een tuin waar je niet altijd iets van iemand hoeft. Een gesprek hoeft niet altijd functioneel te zijn. Dat is onvoorwaardelijkheid: je hoeft het zijn niet te verdienen.

Tijdens deze coronatijd, een collectieve contrastervaring, zou je kunnen zeggen, hadden we het ineens over die tuin. Als je een comfortabel dak boven je hoofd hebt en je hebt nog inkomen, dan is de introverte kant van de samenleving interessant, de stillere kant, die minder gehaast en druk is. Wat missen de mensen die we niet horen? Hoe solidair zijn we met elkaar? Wat verlangen we nou eigenlijk en waar zijn we aan voorbij geracet. Waren we niet dolgedraaid met zijn allen?’

Op welke manier heb jij als vernieuwingspredikant moed nodig?

‘Ik vind dat je überhaupt voor het vak van predikant moed nodig hebt. Het vraagt moed om op het podium te staan, om woorden te vinden, ook in moeilijke situaties. Als vernieuwingspredikant komt daar nog een schepje bovenop: als jij niks doet, gebeurt er niks. Je hebt per definitie moed nodig om dingen te initiëren. Vallen en opstaan, opstaan en weer vallen; dit was het niet, we proberen het anders.

Ik moet opeens aan Hannah Arendt denken die ook zegt: ‘je handelen is onbeschikbaar’. Je begint ergens, maar je weet niet wat ermee gebeurt. Je doet iets waar je in gelooft, waarvan je denkt: dit zal het dan zo ongeveer moeten zijn. Het is toch anders dan reflecteren op de lezing in de zondagse kerkdienst. Eigenlijk vind ik het een kwetsbare rol. Kwetsbaarheid en moed liggen dichtbij elkaar: je moet het durven en je moet het durven evalueren, met kritiek kunnen omgaan. En ook niet de hele tijd willen horen hoe fantastisch het allemaal is.’

Wat heeft de meeste moed gevraagd de afgelopen twee jaar?

‘Nou, het eerste jaar heb ik allerlei dingen gedaan waarvan ik dacht: dit is het niet. Ik denk dat ik eerst de ruimte moest verkennen. Het vergde moed om het tweede jaar weer andere dingen te doen.

Het kostte mij misschien de meeste moed om terug te gaan naar de traditie van bijbellezen en toch kunnen denken: ik ben aan het vernieuwen. Nou ja, ik had moed nodig voor dat innerlijke gesprek. Want toen ik bijbelverhalen ging lezen bleek dat daar misschien die tuin wel begon te bloeien, misschien doordat we door die oerverhalen tot gesprekken over onszelf kwamen waar we eerder niet toe kwamen.

Je leest zo’n verhaal en ineens ontstaat er een ander soort gesprek omdat je je moet verhouden tot goed en kwaad, jaloezie, afgunst, je plek in de wereld. In het begin waren de mensen terughoudend tot ik aan het begin van iedere bijeenkomst aan iedereen vroeg: ‘Hoe gaat het met je?’ Dat bleek essentieel, omdat ik dacht dat ik als predikant aan het begin van een bijeenkomst altijd met iets moois moest komen, een gedicht bijvoorbeeld. Dan zeiden mensen na afloop: ’Mooi, mooi, mooi.’ Sindsdien vullen we het eerste uur met een rondje met van alles: vreugde en verdriet uit onze privélevens, maar ook bespreken we actuele maatschappelijke onderwerpen. Op een gegeven moment zeg ik dan: we gaan naar de tekst, en gelukkig maar, anders wordt het een praatgroep.

Het is een soort Biblical Group Therapy [lacht]. We verkennen samen een existentiële ruimte die we niet meer konden verkennen omdat we de taal en ruimte misten, die bijbelverhalen ons boden. Toen werd het gezamenlijke zo mooi. Dat je van elkaar kunt leren en op elkaar voortborduurt. Mensen kennen elkaar van tevoren overigens niet. Dat geeft ruimte. Dat is heel belangrijk. Net als de plek. Bij mensen thuis heeft ook wel wat, maar in de kerk denken mensen sneller: ‘Hé, laat ik mijn mond eens houden, in deze ruimte is iets groters dan ikzelf aan de hand.’ Inmiddels komen de mensen de kerk in Naarden-Bussum binnen en zetten ze koffie. Het wordt echt een plek voor die mensen.’

Hoe kan jouw vernieuwingsplek van betekenis zijn voor remonstranten?

‘Laat ik beginnen met de vrijheid en de nieuwe ruimte. Vorig jaar verzorgde ik een allerzielenviering. Daar was ik heel tevreden over. Het is van oorsprong een katholiek ritueel natuurlijk, maar dat vind ik niet relevant. Dat bedoel ik niet oppervlakkig, maar het gaat erom dat mensen altijd iemand missen. Dat is een gedeelde ervaring. Mensen willen een kaarsje aansteken op een gezamenlijke plek. De dood maakt gelijk.

Gaat het om het remonstrantse gedachtegoed of gaat het om radicale openheid dicht bij de menselijke ervaring, het gezamenlijke verlangen en gemis, daar waar heilige ruimte is? Begrijp me niet verkeerd, ik ben er trots op remonstrants predikant te zijn, maar in deze groepen ga ik het niet te snel invullen. In mijn groepen zitten ook mensen die met niets zijn opgevoed en het verschil tussen protestant en katholiek nauwelijks kennen. Haal de mensen maar onder het dak. Eén van de mensen in mijn groep vroeg laatst ‘kan ik hier ook meer?’, die verwijs ik dan naar de zondag. Ik houd van die vorm, van de klassieke liturgie, maar als je dat niet kent staat het echt wel ver van je af.

Mijn plek is van betekenis voor iedereen, voor mensen die gespreks- en reflectieruimte zoeken. Het is onze taak om deze ruimte te zoeken en vorm te geven. Om te zoeken en ook weer ideeën los te laten. Meditaties en stiltes, die kun je overal vinden, dat hoeven wij wat mij betreft niet te faciliteren. Plekken waar je samen het gesprek aan gaat, waar je samen een kaars aansteekt en namen noemt van de overledenen, waar je samen zingt, waar je samen nadenkt, die plekken zijn schaars. Daar zet ik mij als vernieuwer van harte voor in.’

Zie ook