Een onwaarschijnlijke gemeenschap #wat is geloven?
Beeld: Marjorie Specht

Een onwaarschijnlijke gemeenschap #wat is geloven?

Johan Goud schrijft in AdRem een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. In dit nummer zijn laatste bijdrage, deel 9.

In mijn tot nu toe verschenen acht bijdragen schreef ik steeds over het individuele geloof – maar deed ik dat in de hoop dat lezers zich erin herkenden. Want dat is de opdracht van een vrijzinnige theoloog: over zijn individuele geloof zo te spreken, dat anderen erin kunnen delen. Gemakkelijk is dat niet, maar het is de moeite meer dan waard. Samen met anderen zijn hóórt bij ons. Dat heeft men vanouds ook ingezien. Het geloof in een ‘heilig’ genoemde kerk maakte deel uit van de vroegste christelijke belijdenissen. Onder andere omdat een gelukte geloofsgemeenschap tegenwicht biedt aan de verdeeldheid en de eenzaamheid die iedere samenleving bedreigen.

Vrijheid
Over mijn eigen geloofsweg heb ik in de voorafgaande artikelen het een en ander gezegd. De keuze voor een gemeenschap was op die weg een vrij late stap. Vele jaren was ik min of meer in mijn eentje op zoek naar alternatieven voor het leerstellige protestantisme dat ik goed kende. Ik hield ervan onbekende gebieden te verkennen: atheïsme, poëzie, oosters-orthodoxe theologie, hindoeïstische filosofie, joodse wijsheid. Terugkijkend denk ik dat zij me hielpen het christendom, maar ook de waarde van gemeenschap, te herontdekken. Die gemeenschap was in mijn geval de remonstrantse. Ze was niet door waarheid en zekerheid geobsedeerd, maar ging in een geest van vrijheid – met gevoel voor de kracht van symbolen en metaforen – met de christelijke traditie om.

Gemeenschap
Misschien was mijn eerste reactie overenthousiast en vergiste ik me. Hoe dat ook zij, dat enthousiasme liet blijvende sporen na. Wat ik ervan leerde is dat een vrije geloofsgemeenschap mogelijk is. Wat mij betreft is dat al heel wat. Er zijn immers redenen genoeg om die mogelijkheid uit te sluiten. De rooms-katholieke kerk stelt dat de heilige kerk van de oude geloofsbelijdenissen nergens anders dan in haarzelf te vinden is.[1] Vele andere kerken menen dat ze de waarheid kunnen vangen in traditionele formules. Stelligheden van deze aard zijn trouwens niet voorbehouden aan religieuze verbanden. ‘ ‘t Leek me niets leuk een levensbeschouwing te hebben. Hoyer schreeuwde zoo’, noteert Nescio over één van de Titaantjes, die anders dan zijn ongebonden vrienden begonnen was ‘bij de bonzen van de SDAP te hooren’[2].

Het is al vaak vastgesteld. Het verval van levensbeschouwingen en instituties heeft ons op onszelf teruggeworpen. Autonomie is voor velen de hoogste waarde geworden. De jongste generatie van romanschrijvers lijkt zich van het tekort daarvan bewust te zijn. Ook voor hen hebben traditionele geloofssystemen afgedaan. Maar zij onderzoeken het alles uithollende ‘gebrek aan betekenis’ en een ‘vage, ongewortelde hang naar religiositeit’ (Niña Weijers, in ‘Kamers antikamers’, 2019)[3]. Maarten van der Graaff gaat in ‘Wormen en engelen’ (2017) expliciet in op wat hij ‘ons probleem’ noemt: ‘de organisatie, het gestalte geven aan vage verlangens’. Vriendschap is een belangrijk thema in zijn boek. Deze zin van de Amerikaanse schrijver Bruce Boone – geboren in 1940, dus zelf geen millennial – geeft hij een prominente plaats: ‘De religieuze gemeenschappen van mijn verleden staan, denk ik, voor de politieke gemeenschappen in mijn heden, en die staan op hun beurt voor een gemeenschap van de toekomst die alleen in dromen bestaat.’

In deze voorzichtige intuïties van jonge schrijvers herken ik me. Ze passen bij wat ik als een ideale kerk beschouw: dat ze ruimte geeft aan een onwaarschijnlijke gemeenschap van vrienden, zoals het te lezen stond in het ontwerp voor de remonstrantse belijdenis van 2006:

Wij geloven dat de kerken, feilbaar en verdeeld,
maar één van geest bij alle onderscheid,
het voorlopig teken van die vriendschap zijn. 

Vriendschap
In de definitieve tekst werd het afgevlakt tot ‘kerk zijn in het teken van de hoop’. De onwaarschijnlijkheid van de kerk is daarin weliswaar bewaard gebleven – maar het beeld van de vriendschap is weggevallen.[4] Volgens het Johannesevangelie noemde Jezus zijn leerlingen ‘vrienden’. Aristoteles schreef dat vriendschap gelijkheid veronderstelt en het gezamenlijk gericht zijn op een hoger ideaal. Ware vrienden zijn uit op elkaars bevrijding – ook dat hoort erbij. Ze kennen de Mitfreude die blij is met de blijden en zich dienstbaar maakt aan de levensvreugde van anderen. Nietzsche contrasteerde het met het medelijden dat anderen hun kracht afneemt – naar hij meende. Of dat zonder meer waar is, betwijfel ik. Maar dat de kerk een plek van solidaire vreugde moet zijn, is een feit. Een ongewone gemeenschap is ze, bezield door de droom van een vriendschap die ons, ‘zo zwak en feilbaar als we zijn’, sterk en vrij maakt.

Leessuggestie: Maarten van der Graaff, ‘Wormen en engelen’, 2017.

Johan Goud
emeritus hoogleraar en -predikant

 

[1] Zie hoofdstuk 7, ‘De kerk en humor’, in het ruimte zoekende boek van de katholieke kerkjurist Rik Torfs, De kerk is fantastisch, 2020.

[2] Nescio, Verzameld proza (1996) 43, 55.

[3] Een niet religieuze, maar politieke analyse is te vinden in H.Demeyer en S.Vitse, Affectieve crisis. De romans van de millennial-generatie (2021) 47-52, 79-81.

[4] In mijn diesrede voor de theologen in Kampen, werkte ik vriendschap als een functie van het posttraditionele predikantschap uit, in contrast met het traditionele beeld van de herder (pastor). Zie Schrijven in het zand. Predikantschap in de 21ste eeuw (2000) 14-16.

Zie ook