Het gelaat van God
Afbeelding: Marjorie Specht

Het gelaat van God

Johan Goud schrijft in AdRem een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. In dit nummer deel 8.

Wat is geloven? Om die vraag draait het in deze reeks artikelen. Wat kan je bevrijden van de angst dat uiteindelijk alles on-zin is, dus dat we gedoemd zijn te mislukken en ten onder te gaan? Wat kan je leven glans geven en het kostbaar maken? Bij deze laatste woorden denk ik aan de door Jezus vertelde gelijkenis van de parel (Matt.13). Een parel zo uitzonderlijk, dat de vinder bereid bleek al wat hij was en had ervoor op te offeren. Dat is geloven. Maar welke parel is dat waard?

Zoeken naar de parel
In de zeven voorafgaande artikelen schitterde de parel van het geloof op allerlei manieren. Het laatste artikel voegde het facet van het zoeken naar zin en betekenis toe. Die zoektocht kan in principe eindeloos voortgaan. Want geen antwoord is zo definitief, dat het geen nieuwe vragen meer oproept. Tot zoiets als ‘bevrijding’ leidt dit vragen en zoeken niet.

Wat dikwijls gebeurt is dat we onze behoefte om te vragen, die onrust teweegbrengt, uitdoven. We leven dan voort op de manier waaraan we gewend zijn geraakt en die ons een gevoel van orde en comfort verschaft. Het kan ook anders verlopen. Soms stuit ons vragen op iets reëels – zoals de Sloveense filosoof Žižek het noemt[1] – dat die orde overhoop haalt: je wordt hopeloos verliefd, of door absurde tegenslag getroffen. Ook die verstoringen kunnen worden ingepast en onschadelijk gemaakt. Mensen blijken haast onbegrensd flexibel en vindingrijk.

Omslag
Er is een andere reactie mogelijk, die me eerlijker lijkt. In dat geval sta je toe dat die ordeverstoring een omslag afdwingt. En sta je daarbij stil. Met die omslag bedoel ik dat niet langer jij, de vrager, de zoeker, de twijfelaar, het heft in handen hebt. Je raakt het stuur kwijt, je verstand staat even stil. ‘Het reële’ kijkt jou aan en vraagt je iets.

Precies dit overkomt de schrijfster Elizabeth Costello, in een parabel die J.M. Coetzee over haar schreef.[2] ‘Wat gelooft u?’, wordt haar gevraagd. Ze vertelt wat ze als kind in Australië meemaakte. Na de regentijd kwam een enorme moddervlakte vrij en brulden tienduizenden kikkers een oorverdovend lied. Hun gedrag had niets met haarzelf of met mensen in het algemeen te maken. Juist daardoor liet het een blijvende indruk in haar na. ‘Ik geloof in die kikkertjes.’ ‘Ik geloof in wat niet de moeite neemt in mij te geloven.’ Met andere woorden: de onverschilligheid van die kikkertjes voor ons laat zien hoe toevallig, in zekere zin onbeduidend, ons eigen bestaan is. Ze vervulde de kleine Elizabeth met een gevoel van deemoed, de keerzijde van wat ik in een eerder artikel ‘eerbied voor het leven’ noemde.

Gelaat van God
In de taal van de christelijke overlevering krijgt ‘het reële’ gestalte op een manier die alle eeuwen door onvergetelijk is gebleken. Met talloze woorden, begrippen en beelden hebben gelovigen het aan elkaar overgedragen: het gelaat van een gepijnigd mens, die het lot van de meest verachten deelde. Uitgerekend daar stuitten christenen op ‘het gelaat van God dat ons aankijkt en verontrust’, zoals de remonstrantse belijdenis van 2006 het uitdrukt. Hier, in deze pijnlijke geschiedenis van Jezus was de betekenis van het woordje God concreet geworden.

Dat is welbeschouwd onbegrijpelijk. Niemand had uitgerekend déze concretisering van tevoren kunnen bedenken. Ze vraagt van mensen, dat zij anders leren kijken en denken. Met een vorm van intense aandacht, door Simone Weil ‘wachten op God’ genoemd: zo aandachtig kijkend naar wat niet is en er niet toe doet, dat het in zekere zin tot leven komt.

Aandacht
Ik denk aan wat Rosita Steenbeek over de vluchtelingenkampen aan de randen van Europa schreef, kolossale opslagplaatsen van ‘menselijk afval’, van ‘nutteloze’ mensen (om met de socioloog Zygmunt Bauman te spreken). Zij spreekt met Ismaël uit Sierra Leone, Kari uit Afghanistan, luistert naar hun verschrikkelijke verhalen en geeft hun een gezicht.[3] Ik denk ook aan het aangrijpende boek dat Chris de Stoop over zijn oom schreef, een eenzaam levende boer in het Belgische St. Léger. Op het dorp gold hij als kluizenaar, ‘Jezus’ was zijn bijnaam. Hij werd vermoord door een bende verwilderde tieners. Niemand, zo merkt Chris de Stoop, lijkt zijn oom als een gewoon mens te kunnen zien. In het omvangrijke dossier ontbreekt zelfs een foto. Op de rechtszitting deelt hij een foto uit. ‘Het slachtoffer heeft eindelijk een gezicht gekregen.’ Maar aan het eind vertrekt hij met een verweesd gevoel.[4]

Aandacht maakt geen eind aan de pijn en de onrust. Ze maakt het wel mogelijk zich dat einde voor te stellen. De christelijke geloofstraditie doet dat door van ‘opstanding’ te spreken. ‘Hij had de mensen lief en werd gekruisigd / maar leeft, zijn eigen dood en die van ons voorbij.’

Als leessuggesties twee boeken die met elkaar contrasteren: Ödön von Horváth, ‘Jeugd zonder God’, Amsterdam 2008 (oorspr. 1938); Rosita Steenbeek, ‘Heb uw vijanden lief’, Amsterdam 2017.

Johan Goud
emeritus-hoogleraar en -predikant

[1] Zie Marc De Kesel, Žižek (Amsterdam-Leuven 2012) 62-63, 107-112.

[2] J.M.Coetzee, Elizabeth Costello (Amsterdam 2003) 199-204.

[3] Rosita Steenbeek, Wie is mijn naaste? Mijn verhaal over de vluchtelingenopvang, Amsterdam 2018.

[4] Chris de Stoop, Het boek Daniël (Amsterdam 2020) 195, 226.

Zie ook