Ik hoor niks
Foto: Allard Willemse

Ik hoor niks

 Yvonne Hiemstra en Michel Peters gingen via Zoom in gesprek met Benedictijner monnik Thomas Quartier. Het werd een open en levendig gesprek over luisteren naar God, het belang van het open staan voor het mysterie en over de ontmythologisering van het begrip ‘roeping’.

Professionele twijfelaar in habijt

‘Als monnik voel ik me een twijfelaar en dan misschien wel een professionele. Mijn ouders gaven mij de naam Thomas. Het is niet mijn kloosternaam want ik heet dus echt zo, en ik ben ze daar nog altijd dankbaar voor. Die naam past bij mij. Ik probeer te luisteren naar God, maar niet als de monnik die denkt te weten wie of wat God is. De eerste regel van de stichter van de orde waartoe ik behoor, Benedictus, luidt: ‘Luister mijn zoon, mijn dochter, naar de richtlijnen van je meester, en neig het oor van je hart: aanvaard gewillig de vermaningen van je liefdevolle vader en breng ze metterdaad ten uitvoer’. Eerlijk is eerlijk, hier heb ik het als postmodern en autonoom mens best wel moeilijk mee. Want de vraag die ik mezelf dan meteen stel is: wie is dan die vader? Benedictus? De abt van ons klooster? Is het God? Een monnik is iemand die luistert. Die open staat voor God, jazeker. Maar wie of wat God is, daar heb ik tot op de dag van vandaag nog steeds geen antwoord op. Maar een goede monnik moet ook altijd een beetje agnost zijn’.

Proefnummer AdRem, remonstrants magazine

Vraag nu een proefnummer aan van AdRem, het remonstrantse magazine!

Ontmythologisering van het geroepen zijn

‘Ik ben op mijn veertigste ingetreden. Ik heb daarvoor een ander leven gekend. Als je mij de vraag stelt of ik mij geroepen voelde tot dit bestaan, dan is mijn wedervraag: wat is roeping? Kijk, je moet het je allemaal niet zo spectaculair voorstellen. Mensen willen er maar al te graag eenduidiger over spreken dan het is. Ik was eens bij een groep evangelicale christenen en die vroegen mij ook iets dergelijks. Die wilden weten wanneer God mij riep en wat Hij tegen mij had gezegd. Ik antwoordde: ‘Niets. Ik heb werkelijk helemaal niets gehoord’. Waarmee ik hen vervolgens iets leek te ontnemen. Maar ik zie het in zekere zin ook als mijn taak zaken te ontmythologiseren. Zo heldhaftig is het allemaal niet. Maar ik kan evengoed zeggen: ‘Ik ontmoet God voortdurend, in de ontmoetingen die ik heb met andere mensen’. In retrospectief kan ik natuurlijk wel momenten aanwijzen die mij hebben gevormd, maar veel berust ook op toeval. Ik woonde in Kleef (Duitsland), ik wist niet goed wat te studeren. Een vader van een vriend van mij werkte aan de theologische faculteit van de Radboud Universiteit en zei: ‘Waarom kom je niet eens bij ons kijken?’. Nijmegen was dichtbij en ik kon op deze manier thuis blijven wonen en voor mijn moeder zorgen. Was hij politicoloog geweest dan had ik op dat moment ook daarvoor kunnen kiezen, want ook politiek interesseert mij enorm. En ik ben later bij de Benedictijnen gaan kijken. Ja in Doetinchem want ook dat was dichtbij. Er komt uiteraard wel meer bij kijken, maar zo is het wel begonnen. De dingen gaan zoals ze gaan. Ik bedoel er maar mee te zeggen dat je deze toevalligheden ook roeping kunt noemen omdat je er achteraf een verticale dimensie in kunt ontwaren. God manifesteert zich in het indirecte. Contemplatie, om maar eens een echte kloosterterm te gebruiken, betekent dat je je oefent in luisteren, zodat je die momenten niet mist. En zo ontvouwt zich een keuze voor een levenswijze die bij iemand past. In dit klooster heb ik de mijne gevonden. Ik ben een onstuimig type en hier vind ik de balans die mij goed doet.’

Wetenschapper zonder verklaring

‘Ik ben inmiddels 48 jaar en hoogleraar, maar ik heb nog altijd geen antwoorden op de meest diepe vragen. Ik probeer te luisteren en ontvankelijk te zijn voor God, maar de invulling hiervan kan ik niet geven. Wil ik ook niet. Het zit voor mij juist niet in het ‘gevonden hebben’. Het mysterie schuilt in mijn verlangen. God zie ik als het open einde van mijn verlangen. Zoals een abdijgebouw ook een open ruimte kent, een open plek waar je letterlijk via de kruisgang omheen kunt lopen, zo is het ook met God. De kern is leeg. Daar achter zit evenwel het vertrouwen dat de leegte in je leven altijd gevuld zal worden. Dit kun je God noemen. Dit niet weten correspondeert met de rationalist en wetenschapper die ik ook ben. Onlangs werkte ik mee aan een televisieprogramma waarin ik met hersenprofessor Erik Scherder zoek naar de betekenis van het zingen, iets wat heel belangrijk is voor mij. De vraag van Erik  – ik wist niet wie hij was, maar hij bleek echt heel bekend te zijn –  was of geloof wetenschappelijk valt te verklaren. Ik zei: ‘Maar Erik, ik ga toch niet ontkennen dat er dingen in de hersenen gebeuren als gevolg van handelingen als zingen? Natuurlijk zal dit zo zijn. Maar heb jij daarmee werkelijk een antwoord gegeven op de vraag waarom dit zo is?’ Kijk, die pretentie dat je het geheim kunt ontwaren, die pik ik gewoon niet. Je kunt wel zoeken naar betekenis, en onderzoek helpt je daarbij, maar je kunt het geheim nooit uitputtend verklaren’.

‘Een ander voorbeeld is dat het mij tijdens lezingen overkwam dat een psycholoog ineens opstond en zei: ‘Mooi verhaal, maar is uw keuze voor het kloosterleven niet een compensatie voor het feit dat u uw vader op jonge leeftijd hebt verloren?’ Eerst wist ik me er niet zo goed raad mee, tot het me nog eens gebeurde. Toen zei ik: ‘Maar dat zou heel goed kunnen. Alleen mijn vraag aan u is: mag dat dan niet? Is dat fout?’ Waar het mij om gaat is dat je kunt redeneren wat je wilt, dat verdiept je inzicht, maar het geheim blijft. Je verstand gebruiken om je geloof te verdiepen vind ik een heel goede zaak. Maar je moet niet denken dat je het daarmee hebt verklaard. Wetenschap corrigeert het geloof om het te bewaren voor een naïef dogmatisme. En geloof behoedt de wetenschap voor de starre overtuiging het geheim te hebben ontrafeld. Ik pleit daarom voor een radicale openheid, maar wel vanuit een basaal oervertrouwen. Dat moet er zijn, anders is het leven niet leefbaar’.

Geloven is doen

‘Mijn ervaring is dat geloven een kwestie is van doen. In de rituelen kan ik mijn verlangen naar mezelf, de ander of God articuleren. Ze helpen me ontvankelijk te worden voor wat zich aandient aan sporen van heiligheid. Ik houd erg van zingen. Ook dit is een rituele praktijk. Benedictus zei dat stem en hart zo in evenwicht kunnen komen. Rituele praktijken bestaan ook uit techniek. Mensen zijn gericht op het doen, dat is een ‘condition humaine’. Met de vraag of God bestaat ben ik niet bezig. Maar het geloof is een niet-rationele praktijk, het ritueel overstijgt het niet weten. Rituelen zorgen dat je bij je diepere drijfveren kunt komen. Ze geven houvast en structuur. Het kloosterleven is een fulltime job die zich handelend richt naar die wolk van niet – weten. Zo wordt het kloosterleven bepaald door een ritme van regels. Het feit dat ik hier ben ingetreden heeft ook te maken met een soort verliefdheid. Ik werd verliefd op deze plek, op de kerk, het gebouw, de manier van leven. Ik kan die ‘klik’ niet verklaren zoals je liefde niet kunt verklaren. Als je vraagt welk onderdeel van de Benedictijnse levensweg mij het meest aanspreekt, moet ik zeggen dat de aandacht voor deze ritualiteit en de structuur van dit leven mij het meest treffen. Dit gesprek hebben we bewust gepland tussen de gebedsmomenten in. Als straks de bel gaat, luister ik, sta ik op en ga ik. Dan is het gesprek ten einde, hoe graag ik ook zou willen doorpraten. Plechtig gezegd: het werk Gods gaat voor alles. Let wel: het wérk Gods. Het handelen. Zo onderbreek ik mijn eigen handelen. Het is de dagelijkse correctie op de hectiek van mijn bestaan’.

Ondertussen belt zijn moeder uit Duitsland. Thomas verontschuldigd zich door te zeggen: ‘Ik moet deze even opnemen’, en dan met een glimlach: ‘ook moeders hebben het recht in te breken’. Hij pakt soepel de draad op en vertelt dat ook het gemeenschapsleven hem zeer aanspreekt. ‘Maar realiseer je wel dat je samenleeft met mensen die je niet zelf uitgekozen hebt. En geloof me, dat valt echt niet mee. Je moet als monnik ook op jezelf kunnen zijn, anders houd je het niet vol. Benedictus gaf drie basisbeginselen mee voor het leven in een gemeenschap. De eerste is: streef ernaar elkaar in beleefdheid te overtreffen; de tweede is: verdraag elkaars zwakheden met geduld (‘nee, niet elkaars sterke punten’, voegt Thomas toe, ‘het zit juist in die zwakte’) en de derde: wees elkaar gehoorzaam. En dat is lastig maar het geheim hiervan is dat niemand boven de ander staat. Dit alles schept voorwaarden voor het echt kunnen ontmoeten van die ander en, zo hoop ik, ook God’.

Yvonne Hiemstra
Redactie AdRem, geestelijk verzorger in de eerste lijn

Michel Peters
Redactie AdRem, communicatiemedewerker op het landelijk bureau Remonstranten

Wie is Thomas Quartier?

Thomas Quartier is Benedictijner monnik van de Abdij Keizersberg in Leuven en hoogleraar Liturgiewetenschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar liturgie en rituelen in de huidige cultuur. Zijn onderzoek concentreert zich op rituelen rondom sterven en dood en liturgische spiritualiteit, vooral binnen de Benedictijnse traditie. Hij schreef over uitvaarten, ritueel en kunst en over liturgische spiritualiteit vanuit monastiek perspectief. Verder is hij performer, zanger en spreker en bracht dit jaar zijn eerste cd met eigen liederen uit: ‘Bedezang. Liederen bidden door de dag’. Boek & CD (Adveniat 2021).

Eerdere boeken van hem zijn: Open einde van je verlangen (2020), Levensliederen (2020), Liefdes geboden (2019), Heilige woede (2018), Anders leven (2017), Liturgische spiritualiteit ( 2017) en Kiemcellen (2016).

https://www.titusbrandsmainstituut.nl/nl/geloven-stijgt-boven-jezelf-uit-thomas-quartier-in-gesprek-met-eric-scherder/

 

 

Zie ook