Kun je je eigen oren geloven?
Afbeelding: Roos Vonk

Kun je je eigen oren geloven?

José Baars deed ooit onderzoek onder reformatorische jongeren en volgde hun religieuze ontwikkeling. Soms bleven de jongeren op latere leeftijd ontluisterd achter. Kijken vrijzinnigen met leedvermaak tegen die verhalen aan? Of hebben wij onze eigen set ongeschreven regels? Wat is werkelijkheid en wat waan?

Mijn hangmat stond op een warme dag in de schaduw van een beuk. Ik las in een vrijzinnige uithoek van de gemeente Staphorst bekeringsgeschiedenissen. Geschriften die in de achttiende en negentiende eeuw populair waren in bevindelijk gereformeerde kring. Ze gingen over het horen van God, daarnaar luisteren en alle gedoe dat daaraan voorafgaat en erop volgt. Bekering is bepaald geen peulenschil, want niets lijkt erger dan je te beroepen op een valse bekering. Dat je denkt naar Gods stem te luisteren, maar dat het iets anders was. De dunne boekjes lazen als een boeketreeks. Ze kwamen in mijn bezit doordat ik bezig was met onderzoek onder reformatorische jongeren.

Vaste structuur

De overeenkomst tussen deze stichtelijke geschriften en een boekje uit de boeketreeks is de vooraf vaststaande structuur. En bekeringsgeschiedenissen zijn ook een soort liefdesverhalen. Er is een groot verlangen naar een relatie met de ware, de prins op een wit paard komt echt langs, fluistert je in je oor en er volgt gedoe maar uiteindelijk komt alles helemaal goed. Serieuzer, aan de bekering voorafgaand is er bij de hoofdpersoon sprake van verkenning van het innerlijk, een groot verlangen en biddend uitzien naar Gods ingrijpen en een beetje zicht op je uitverkiezing. Er is sprake van diepe zondekennis en lijden aan ellende. In de bekeringsgeschiedenissen zet God mensen stil door een gebeurtenis, een tekst, lied of bijzonder inzicht. Dit is niet steeds zomaar of onmiddellijk levensveranderend. Want, kun je je oren wel geloven als je denkt God te horen? Het is na de bekering dus niet gedaan met het getob. The proof of the pudding is in the eating: In hoeverre op basis van geloofszekerheid weerstand kan worden geboden aan de verleiding tot zonde. In de bekeringsgeschiedenissen is de toetsing vaak beschreven als een persoonlijk proces. Was het werkelijk Gods stem? Dan is bekering verlossend en dankbaarheid groot. Wie ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink heeft gelezen weet dat een publieke ‘toetsing’ van de geloofszekerheid ook tot de mogelijkheden behoorde.

Jong bekeerd, oud gedaan

In het onderzoek dat ik onder eindexamenkandidaten van een reformatorische school voor voortgezet onderwijs deed, ontmoette ik in 2005 een examenkandidate VWO met zowel ambities – hoogleraar in een exacte wetenschap worden – als naar eigen zeggen een bekeringservaring:

‘Ik heb irritante eigenschappen. Aan de ene kant kan ik heel erg driftig worden, aan de andere kant denk ik dat ik alles kan. En op een gegeven moment werd daarop ingegrepen. Ik zág ineens dat ik heel zondig was, dat het een heel pak zonden was dat ik meetorste. Ik draaide daar maar in rond en ik kwam er echt niet meer uit. Ik heb toen gezegd ‘Heere help mij’. En toen, toen kreeg ik een enorme rust over mij, dat was het begin, ik ging opnieuw leven. (…) Daarna ging het eerst steeds slechter, want als je je eigen weg dan nog verder wilt gaan, dan besef je ineens dat je echt verder van God af komt te staan en dat als je Zijn wil doet, je dichterbij Hem komt.’ De examenkandidates van 2005 heb ik met tussenpozen van zo’n vijf jaar opnieuw gesproken. De vrouw die sprak over haar bekering, zei daarover in 2020:

‘Ik ben nu niet meer bezig met het geloof. Ik ben erachter gekomen dat er helemaal niets van waar is. Ik denk dat er processen zijn waardoor je hersenen je behoorlijk voor de gek kunnen houden.’

Wat is waar?

Ik merk bij mijzelf het ergens jammer te vinden dat iemand ontluisterd raakt, doordat zij anders is gaan denken over het horen van God. Wat denkt u nu als lezer van AdRem? Eind goed al goed? Op basis waarvan beoordelen u en ik de verhalen van mensen die zeggen God ontmoet of gehoord te hebben of daar vanaf te zijn? Wat is werkelijkheid, wat waan? Daarover sprak ik ook al eens met een geestelijk verzorger uit de psychiatrie. Maar wij als vrijzinnigen, hebben wij voor het beoordelen van religieuze ervaringen misschien een eigen pakketje ongeschreven regels? Ik kwam er zelf niet uit, die zomer, na het lezen van bekeringsgeschiedenissen. Liggend in mijn hangmat besloot ik maar even te genieten van wat was – en een bries liet het blad van de beuk ruisen.

José Baars
Lid van de Koorkerkgemeenschap in Middelburg. Wekelijks schrijft ze in de PZC over religie en cultuur.

 

Zie ook