De Angelis (Over engelen)
Afbeelding: Roos Vonk

De Angelis (Over engelen)

Peter Kattenberg (1954), kunstenaar en remonstrants predikant te Friedrichstadt (D), is volkomen duidelijk: een minister voor Cultuur is overbodig. De overheid moet de cultuursector faciliteren met geld, niet met beleid. Gewoon door identiteitspolitiek te bedrijven met de portemonnee in de culturele sector. Door iedereen die zichzelf tot professional in de cultuur rekent een basisinkomen te geven.  Voor cultuur minder maatwerk: geen beleid, maar basisinkomen.

Een overbodige minister 

Natuurlijk ben ik reuze blij met een minister voor stikstof. En ook een voor klimaat. Foute deeltjes in de atmosfeer of vervuiling van de lucht kan je meten. Aan alles wat je meten kan en waar je vervolgens iets aan kan doen, daar moet je iets aan doen. Zeker als je de wereld ermee verbetert, of misschien wel redt. Daar liggen belangrijke taken voor de overheid. Maar cultuur? Voor mij hoeft een minister van Cultuur niet zo nodig. Eigenlijk is zo’n bewindspersoon overbodig.

Cultuur, wie weet wat het is, mag het zeggen.

Cultuur is een groot raadsel. De duidelijkheid van de tijd waarin T.S. Eliot (1888-1965) leefde ligt ver achter ons. Deze Nobelprijswinnaar voor literatuur kon nog in zijn beroemde Notes Towards a Definition of Culture (1948) optekenen dat ‘godsdienst de dominante kracht achter cultuur is; in het Westen is dat het christendom’. Zie je het nog voor je? Misschien moeten we nu gewoon zeggen dat cultuur de tegenhanger is van natuur. En dat dat laatste iets is wat gewoon zijn eigen gang gaat. Een bewindspersoon voor Cultuur staat op de bordesfoto voor de vorm, niet voor de inhoud. Bij voorkeur is het iemand zonder visie ‘aangezien visies in Nederland domineesdromen plegen te zijn’ (Martin Sommer, Volkskrant 18 december 2021). Met cultuurbeleid van overheidswege moet je dus oppassen. Vooral als de minister zelf voor het orkest gaat staan. Zoals cultuurminister Eelco Brinkman (CDA) in 1985 deed. Hij weigerde Hugo Brandt Corstius de PC Hooftprijs uit te reiken. Die was naar zijn smaak te grof gebekt.

Over-engelen? God sta ons bij!

Maar het kan in de kunst en cultuur nooit grof (genoeg) zijn. Het gevaar dat ik voorbij zie komen bij Rutte IV is dat zo’n beetje alles maatwerk wordt of moraaltheologie. Bijna het hele ambtelijke cultuurbeleid (van diversiteit, institutioneel racisme tot gendergelijkheid) is te rangschikken onder het kopje moraaltheologie. En daar is op zich niets mis mee, integendeel! Behalve als je de kans loopt over een tijdje niet meer kennis te kunnen nemen van het bezinksel dat op de bodem van de menselijke ziel ligt. Ook de droesem die soms boven komt drijven is cultuur. Of misschien wel juist. Hoe groot is het risico dat dat in de toekomst weggefilterd wordt door de ambtelijke molen van cultuurbeleid? Ligt de stijlpastoor niet zo weer op de loer? Of de smaakpolitie?  Een leuk toekomstbeeld is dat niet, maar ook niet ondenkbeeldig. Het toverwoord voor Rutte IV is maatwerk.  Maar ‘Maatwerk leidt uiteindelijk tot politiestaat’ was onlangs nog de kop van een column in de Volkskrant. Het doet ‘alsof’ iedereen op zijn wenken bediend wordt. Elk thema wordt beleidsmatig en op maat in de eigentijdse cultuur geadresseerd, maar in werkelijkheid wordt je de maat genomen en schrijft overheidsbeleid voor wat kan, mag of moet. Cultuur is iets anders dan gesubsidieerd paardrijden op de hoogvlakte van de moraal. De culturele sector kent sowieso al een Code Inclusie en Diversiteit. Met stappenplan. Daar is op zich niets mis mee. Zolang het tenminste geen over-engelen wordt.  De Nigeriaanse schrijfster van onder meer ‘Amerikanah’ en ‘We moeten allemaal feminist zijn’, Chimamanda Ngozi Adichie (1977) schreef recent ‘we zijn niet langer menselijk; we zijn engelen die elkaar proberen te over-engelen. God sta ons bij! Het is obsceen’.

Zelf je identiteit definiëren

De overheid moet de cultuursector faciliteren met geld, niet met beleid. Gewoon door identiteitspolitiek te bedrijven met de portemonnee in de culturele sector. Door iedereen die zichzelf tot professional in de cultuur rekent een basisinkomen te geven.  Kortom, iedereen en dat zonder verschil te maken tussen high of low culture, dus van balletdanser tot paaldanser, krijgt een basisinkomen. Want het is wat als je nu de moed hebt zelf je identiteit te definiëren door te wijzen op je culturele beroepsmatigheid.  Er is geen beroepsgroep die de laatste jaren zo door de pomp is getrokken als de mensen die maar voor één ding leven en dat is hun passie. Die zitten heus niet te wachten op beleid of een toekomstvisie, ze zitten te wachten op een minimale bestaanszekerheid.

Minder maatwerk: geen beleid, maar basisinkomen

Ik ben voor een bewindspersoon voor Cultuur zonder visie en zonder inhoud. Ik ga voor een vrouw, Gunay Uslu (D66) , die het aandurft om ‘om niet’ (zonder voorbehoud, voorwaarden of beleidsaanwijzingen) de mensen in het veld te financieren en te faciliteren. Ook voor die mensen die er mogelijk foute of misschien wel abjecte  zaken mee gaan visualiseren, verwoorden of verbeelden.  Culturele polarisatie is daar mee gediend. En dat is goed. In de cultuur grijpt men namelijk naar de vioolstok,  de pen of om het even welk instrument dan ook om zich mee te uiten. Nooit naar een machtsmiddel. Of erger, iets dat fysiek pijn doet. Cultuur is namelijk iets van de geest.

Peter Kattenberg
Kunstenaar en remonstrants predikant te Friedrichstadt (D)

Zie ook